Weltschmerz

Hoorde net een volwassen vrouw in de trein tegen haar telefoontoestel roepen.
“Als ik uitval, moet ge niet verschieten he, mijn pille is plat. Ze is echt plat.”
Ze stopt de gsm zuchtend in haar handtas en snuit enorm luid in een zakdoek van Mega Mindy.
De wereld kan soms zo triestig klinken.

Plat

Willem stierf net zoals hij had geleefd. Onder een auto. In dergelijke gevallen houdt de auto op statussymbool te zijn. De wagen wordt een werktuig van de dood; een zeis met paardenkracht. Vijfentwintig jaar lang was Willem autotechnicus geweest. Meer dan een kwart eeuw smeren voor dezelfde werkgever. De hoop om hoofd van de afdeling te worden was reeds lang vervlogen. Ook al was er in heel de garage geen levende ziel te bespeuren die meer over wagens wist dan Willem. Alleen keken de collega’s niet op naar zijn kennis maar neer op zijn persoonlijkheid. Je zou het jaloezie kunnen noemen. Je zou het jaloezie moeten noemen. Maar dat deed Willem niet. Willem was een man van weinig woorden. Het begon onschuldig: met een veeg olie op het handvat van zijn boekentas. Ze hadden allemaal gelachen. Weinigen omdat ze het ook echt grappig vonden. De meesten onder hen omdat dat zo hoort, omdat lachen hun eigen boekentassen beschermde tegen de olie. Gaandeweg waren ze verder gegaan. Een bougie tussen zijn broodje, een vastgelijmde kast, perslucht naast zijn oren. Het lachen deed pijn. Maar wat echt aan hem vrat was de eenzaamheid. De eenzaamheid van het alleen eten, het alleen thuiskomen. Natuurlijk was er zijn vrouw. Natuurlijk waren er zijn kinderen. Maar die viel Willem nooit lastig met zijn problemen. Daarvoor was de impact van de grapjes te klein, de schaamte te groot.

Willem lag op zijn rug. Onder de werkbrug. Hij bekeek de onderkant van de wagen zoals hij dat altijd deed: met liefde voor het vak.

’De schokdempers zijn volledig op.’

Dat was het laatste wat Willem dacht toen hij de brug met een verpletterende kracht naar beneden liet donderen.

werkbrug

Het water is gebroken

Beste vrienden, beste vijanden, beste alles daartussen.
In het exotische Tielt – thuishaven van onderstaande uitgeverij – kwam ik zonet te weten dat ik in mei beval van mijn eerste roman.
Bloemen noch kransen.

lannoo

Bed

Iedere avond check ik voor het slapengaan nog even of er geen terrorist, geen socialist, geen Antwerpse burgemeester of geen huisstofmijt onder mijn bed verscholen ligt. Dat schijnen, na een breed gevoerde steekproef op verschillende sociale media, de grootste gevaren van de week te zijn. En dus kniel ik voor het slapengaan en kniel ik bij het ontwaken. Je kunt tenslotte niet zeker genoeg zijn. Dat knielen beschouw ik trouwens als een kleine moeite. Tenslotte was ik tot eind vorig jaar vooral bang voor ebola. Die virologische kloterij zie je dus helemaal niet liggen onder de bedstee, wat het bestrijden der angstgevoelens een stuk ingewikkelder maakt. Bij ebola was zowat iedere toerist een potentieel, perfect gecamoufleerd gevaar. Wat een hoop praktische problemen met zich meebracht. Ten eerste zie je niet altijd aan een toerist of hij een toerist is, tenzij het een groot fototoestel met daaraan een Aziaat bevestigd betreft (maar die kerels link ik dan weer meer aan SARS en vogelgriepvarianten, en dat zijn we gelukkig ondertussen alweer lang vergeten). Tweede probleem is dat je aan een toerist ook niet ziet of hij al dan niet drager is van het ebolavirus. Tenzij hij natuurlijk brakend roept dat hij uit Sierra Leona komt. Maar zelfs in dat geval ben je nog steeds niet 100% zeker van je zaak. Mogelijks heeft hij gewoon zijn broodje gehakt net iets te lang in de Europese zon laten liggen. Derde, en waarschijnlijk het meest essentiële probleem, is dat je moeilijk para’s kan inschakelen bij de bestrijding van ebola op het eigen grondgebied. Het preventief neerschieten van toeristen is immers bij wet verboden en bovendien ligt het risico op het treffen van gezonde toeristen ook net iets te hoog om vlotjes door de publieke opinie verteerd te worden. Reken daarbij dat doodgeschoten ebolapatiënten medisch gesproken nog meer besmettingsgevaar inhouden dan levende patiënten en je begrijp direct de omvang van mijn angst. Best wel blij dus dat zowel Hanne Decoutere als Elke Pattyn bij aanvang van het avondjournaal in alle talen zwijgen over dat sluimerende gevaar uit de buik van Afrika. Stilte is wat angsten het meest effectief bestrijdt.

Maar nu zijn er dus de terroristen, de sossen en de nva’ers die mij het leven zuur maken. Het hangt een beetje af van welke bronnen u het meest frequent raadpleegt. Feit is dat, uit welke hoek het gevaar ook komt, niemand mij écht kan helpen. U moet immers weten dat ik in een dorp woon waar de elite van het Belgisch leger vooralsnog niet wordt ingeschakeld ter bescherming van mijn persoonlijke levenssfeer. Wij moeten het hier doen met een handvol lokale agenten waarvan er minstens twee kampen met overgewicht. Niet dat ik iets heb tegen agenten met overgewicht, versta mij zeker niet verkeerd, maar ik kan mij voorstellen dat bij de in de media gerapporteerde stormloop op kogelwerend ondergoed de maatjes XXL niet altijd even vlot leverbaar zijn. Kevlar groeit, in tegenstelling tot angst, niet op de rug der beleidsmakers. In afwachting van de bouw van een eigen dorpskazerne en de levering van een bed met lage pootjes speur ik, bij het laatste avondlicht, hoopvol de horizon af. Mijn oren gespitst, wachtend op de zware rotoren van de C-130 die zijn laadklep boven mijn tuin opengooit waarna het bataljon ter bestrijding mijner angsten aan veelkleurige parachutes nederdaalt.

bed

Charlie

Ik heb nooit echt gehouden van de typische tekenstijl die de Charlie Hebdo covers kenmerkt. Af en toe zaten ze diep met hun vinger in een of andere wonde. Dieper dan de meesten durfden.
Enkele van hun spotprenten vond ik dan weer meer platvloers dan satirisch. Bijwijlen meer provocatief dan spiegelend.
Dat vond ik gisteren al, dat vind ik morgen nog.
Maar die lijnen mag niemand ooit voor iemand anders trekken.
Niet hier. Niet nu. Nooit. Jamais. de. la. vie.
« Je ne suis pas d’accord avec ce que vous dites, mais je me battrai pour que vous ayez le droit de le dire. »
Uitgerekend in het land van Voltaire …

Davy B.

Het eerste wat ik dacht toen ik Davy B. voor de allereerste keer zag was dat hij vroeger gepest werd op school. Vandaag draagt Davy B. een Jarhead-kapsel, een stropdas en een franjeloze bril in staal. Hij staart mij koelbloedig aan van op pagina acht van het gratis Metro-krantje dat ik deze morgen met half ontdooide vingers uit de stapel plukte. Davy B. wil heel graag zorg dragen voor mijn rendement. Wat uitzonderlijk vriendelijk van hem is. Hij vertelt mij dat het geen goed idee is om mijn portefeuille uitsluitend in te vullen met die activaklasse waarvan ik denk dat zij het beste rendement op lange termijn zal bieden. Hij waarschuwt mij voor het feit dat de financiële markten soms wispelturig zijn en niet altijd voorspelbaar. Een tautologie die gewetens sust.

Zijn bezorgdheid over mijn klemtoon is aandoenlijk. Blijkbaar moet die vooral schommelen tussen aandelen of obligaties. Mijn financiële groei zou afhangen van kennis, durf en ervaring. Maar opgelet: het is nooit een exacte wetenschap! Een beetje als het leven zelf, quoi. Spreiden en niet al mijn eieren in één mand leggen, dat is wat mijn nieuwe vriend mij op het hart drukt. We kennen elkaar nog maar pas en toch stel ik vast dat ik al een beetje medelijden heb met Davy B.

Niet omdat ik hem in mijn hoofd tot karikatuur degradeer.

Vooral omdat ik vermoed dat Davy B. heel zijn leven rond eieren zal draaien.

Altijd rond eieren. Nooit rond kippen of kuikens. Of zo.

davyB