Requiem voor een café

Ons cultureel erfgoed wordt bedreigd. Ik waag het zelfs om een en ander nog sterker uit te drukken: het sociale weefsel van onze volkse maatschappij kreunt en zucht onder de steeds dwingender dreiging van een fileermes, vakkundig gehanteerd door de meedogenloze hand van het monster genaamd vooruitgang. Zo, mijn portie dramatiek is er uit voor vandaag. Gek dat het amper oplucht.

Eén van de cafés die ik graag frequenteerde is niet meer. ‘De Volkskring’ is onherroepelijk gesloten. Laatste pint gedronken, laatste kater verwekt maar nog bijlange niet verwerkt. Voor één keer koester ik het beestje met meer liefde dan het verdient. Op het perceel komt er een zoveelste betonnen commode waarbij nog af te wachten valt wie er in de schuifjes past. Nieuwbouw, alle comfort, dicht bij het centrum. U kent die blokkendozen snelbouwgezelligheid wel, de Vlaamse steen- en aardewegen hangen er van aan elkaar. Ideaal voor jonge koppels, als tussenhaven voor helften van stukgelopen relaties of als palliatieve investering voor mensen die de haag zelf niet meer gesnoeid krijgen.

‘De Volkskring’ was – what’s in a name – een volks café. De glazen durfden qua helderheid al eens concurreren met de blik in onze ogen wanneer de zon te vroeg aan de dag begon. Op een schap trofeeën van wedstrijden waarvan niemand nog wist dat ze ooit gespeeld waren. Een café als een spel van MB; voor alle leeftijden. Geen onderscheid in rang en stand; zowel bedelaar als burgemeester vereeuwigde zijn doortocht onder de rand van dezelfde getormenteerde toiletbril. Toegegeven, dat had wat fijnzinniger gekund, maar de waarheid heeft ook zijn rechten. Hier werd carnaval gevierd. Hier werden voetbalwedstrijden becommentarieerd door coaches van 7 tot 77 jaar. Hier werd krakeel tot woordkunst verheven. Hier werd ‘op den bak’ en soms met spek geschoten. Hier werden 100-dagen afgeteld. Hier werd politiek besproken èn gevoerd; boven en soms ook onder tafel. Hier werd de krant gelezen. Hier werd biljart en ander overspel gepleegd. Hier speelden meerdere sportploegen hun verlengingen. Hier werd liefde geboren en ging ze soms ook stilletjes weer dood.

Het doet pijn om in de verleden tijd te moeten schrijven. De werkwoorden wringen tegen maar ze worden door de realiteit in hun gareel gedrongen. Ik weet dat alles eindig is. Alleen is het jammer dat er zo weinig alternatieven opduiken. Het internet is geen café, wat ze ons ook proberen wijs te maken. Vriend en vijand krijgen aan een toetsenbord niet dezelfde kansen als aan een toog. Virtueel gaat niet voor niets vaak hand in hand met artificieel. Virtuele pinten lessen ook geen dorst. Maar welke gek wil er nog een café openhouden sinds de maatschappij liever heeft dat we doodgaan aan verveling dan aan longaandoeningen? Bovendien moet het zwartwerk dringend aangepakt. Tenslotte scheelt dat hemeltergende bedrog een pak in de zak van de gemiddelde AB InBev aandeelhouder. Het klinkt pessimistisch, en heel eerlijk …dat is het ook. Steek het voor die ene keer maar op mijn kater.

Kristien en Yvan zullen inderdaad een ander -bestaand – café gaan openhouden. Kleiner, verder weg van het dorp. Dat neemt niet weg dat er opnieuw een stuk geschiedenis verdwijnt zonder dat het vervangen wordt. Zo verdwijnt er elke dag wel ergens een café. En samen met de gebouwen worden ook de sociale banden weer een heel klein beetje meer gesloopt. Bedankt voor de mooie tijden. Bedankt voor de verhalen. ‘De Volkskring’ is dood, leve de … tja, leve wat eigenlijk?

kristien

Voetbalgebed

Omdat ik er niet meer in geloof. Dat is – denk ik toch – de voornaamste reden waarom voetbal op het hoogste schavot mij het laatste jaar steeds vaker koud laat. Verliezen van geloof wordt, zoals zo vaak, bewerkstelligd door de bittere vaststelling dat belofte en realiteit mijlenver uit elkaar liggen. Camp Nou verschilt daarin wezenlijk niet zo heel erg veel van pakweg het Vaticaan.

Ach ja, er waren foefelende chinezen en Blatters allerhande mee gemoeid, er gingen frauduleuze sponsors en louche zakendeals aan vooraf, aan dat grote verlies van passie. Toch weiger ik te aanvaarden dat mijn opstekend voetbalatheïsme enkel daar aan toe te schrijven is.

De spreekwoordelijke druppel kwam er wat mij betreft toen het fluo schoeisel zijn intrede deed. U moet weten dat ondergetekende nog stamt uit een tijd waarin je de keuze had tussen twee kleuren voetbalschoenen; zwart en donkerzwart. Met wat er nu aan de fluwelen voeten hangt, raakte je in de jaren ’80 niet ongeschonden de kleedkamer uit. Old skool voetbal was een bastion. Het stadion een maatschappelijk verantwoorde ‘mancave’. Voetballers maakten geen reclame voor onderbroeken of tampons. Beschuldigt u mij trouwens alstublieft niet van enig machismo, het zit veel dieper dan dat. Barbarij zit nog steeds in onze genen, in ons bloed, in al die cellen die het onweerlegbare bewijs vormen dat mannen noch het sterkste, noch het slimste geslacht zijn. In wezen schuilt er nog steeds een beetje neanderthaler in ieder van ons. Niet dat ik daar fier op ben, integendeel, maar het is niet anders. Bij voetbal kon die evolutionaire stoom nog enigszins gecontroleerd worden afgevoerd. Let wel, ik was nooit fan van schuivers met het gestrekte been, van homofoob vertier of platvloerse kleurfixatie. Wel van wat men ‘viriel’ voetbal durft te noemen. Voor de spelers: vallen als laatste optie. Als supporter: een schorre keel als ereteken, minstens één pint te veel achteraf.

Als ik lees dat je vandaag bij paars speelt en morgen bij blauw en overmorgen bij rood, dat spelers meer kosten dan het stadion waar ze in spelen, dat rijke rotjochies clubs kopen als ware het playmobildozen, dat kinderen niet eens de tijd krijgen om het spel in de allereerste plaats gewoon leuk te vinden …

… dan verlang ik naar de tijd dat Jan Ceulemans de miljoenen van AC Milan liet schieten om voor eeuwig en drie dagen te kiezen voor het vlakke land, koppig als de Noordzee die breekt aan hoge duinen. Noem het nostalgie. Noem het wat je wilt.

Dat verlangen ontstond trouwens niet zozeer omdat ik niet pragmatisch genoeg ben om te beseffen dat verstreken tijd zuurstof geeft aan romantisering. Dat verlangen ontstond omdat voetbal toen nog net geloofwaardig genoeg was om er in te kunnen geloven. Meer dan enkel brood, meer dan enkel spelen.

Ik begrijp dat het moderne voetbal meer is dan enkel sport.

Ik begrijp het allemaal maar al te goed.

Maar ik weiger om het nog langer te geloven.

against

Cinema Royal

Ook al is het zwart al een beetje afgebleekt en neigt het rood bij zonsondergang eerder naar oranje, toch lijkt het mij een mooi moment om mijn tricolore nog eens boven te halen. Want, hallelujah in het kwadraat, het leven van wijlen koning Boudewijn wordt verfilmd! In kleur en al. Vermoedelijke doelpubliek: koning Filip, een twintigtal slotzusters in Opgrimbie, de harde kern van Okra en uiteraard Marie-Madeleine Van Boxtael uit Bachten de Kupe (de enige vrouw ter wereld die alle koninklijke koekendozendeksels van Delacre van 1879 tot 2015 in haar bezit zou hebben.)

Maar wat heeft een film in dit specifieke geval meer te bieden dan anderhalf uur staren naar een oud muntstuk van twee euro? Waarom gebruik maken van bewegende beelden bij een document over een man wiens meest besproken politieke daad erin bestond buiten westen te zijn? Ik heb er lang over nagedacht. Diep en grondig. Enkel door uitsluiting kwam ik dichter bij mijn doel. Want wat werkt er tegenwoordig nog op het grote scherm? Actie en erotiek, toch? Bloed en borsten! In het eerste geval hadden de filmmakers natuurlijk beter voor nonkel Leopold II gekozen, de man die de Congolezen beschaving bracht, en dat enkel in ruil voor wat rubber en een paar lichaamsdelen. Maar de film gaat, dubbelcheck, onherroepelijk over koning Boudewijn. En dus blijven enkel de borsten over. Volgens mij is het enige mogelijke motief dan ook: seks! Het grote publiek wordt binnenkort getrakteerd op een royale blik tussen de lakens van Laken. Zeg niet dat u het van mij gehoord hebt, maar Danny Fabry Jr. speelt Boudewijn, Hot Marijke kruipt in de huid van Fabiola en Jan Verheyen regisseert (zijn we meteen verzekerd van de obligate happy end). Ikzelf wacht ongeduldig op de dvd-release. Het feit dat ik al jaren geen dvd-speler meer in huis heb, speelt hierbij uiteraard geen enkele rol.

cinema

Knal!

Heeft iemand ooit al eens uitgerekend hoeveel tijd (en dus geld) het aan de gemeenschap kost om een scheet te laten? Neen? Het zal zo ongeveer het laatste item zijn waarvan we de economische impact op ons leven nog niet kennen. Toch lijkt het een gemiste kans om te achterhalen hoe we de peristaltische activiteit van de werknemer naar beneden kunnen krijgen om zodoende zijn economische performantie te optimaliseren.

Een gemiddeld mens produceert immers 0,5 tot 1,5 liter darmgas per dag en al dat fraais wordt omgezet in 12 tot 25 winden. Verdeel dat over 11 miljoen Belgen en je begrijpt dat flatulentie wel degelijk een reële invloed heeft op onze economie. De concentratie en tijd die we spenderen tijdens het gecontroleerd lossen van deze gassen wordt immers niet besteed aan het heilige productieproces. Hoe verwaarloosbaar die fracties van seconden op het eerste zicht ook lijken, projecteer ze op een werkende wereldbevolking en je zal beseffen dat het in werkuren gegoten resultaat een stinkende wind doorheen Wall Street jaagt. Ik verzeker u: de aandelen zakken samen met het niveau van dit betoog.

Mij zou het alvast niet verbazen dat de losbandige fermentatie van voedsel in de darmen van brouwersgasten mede aan de basis ligt van de nieuwe prijsverhoging van de AB InBev producten; brouwsels die bij verhoogde consumptie sowieso al een serieuze zwier aan deze vicieuze cirkel geven. (Al moet ik toegeven dat dit slechts een hypothese is, a brainfart als het ware). Met dit alles in het achterhoofd moet ik tot de conclusie komen dat ikzelf, als visionair hoofd van een multinational, snel op zoek zou gaan naar een haven waar de lokale bevolking zijn anus beter onder controle heeft dan in dit lamlendige Westen het geval is … of dan toch op zijn minst naar een plaats waar ‘de achterdeur van de werkmensch’ niet van een beschermd statuut geniet.

Langs de andere kant onderstreep ik graag de noodzaak om als werkzoekende eens wat innovatiever voor de dag te komen. Het wordt meer dan ooit kunst om uit een ogenschijnlijke handicap een economische opportuniteit te puren. In dat opzicht denk ik vooral aan de helaas bijna compleet vergeten Franse kunstenaar Joseph Pujol (artiestennamen: Le Pétomane, The Fartiste). Deze uit Marseille afkomstige jongeman had zijn darmspieren dermate onder controle dat hij in de vroege jaren 1890 dè rijzende ster werd van de wereldvermaarde Moulin Rouge. Niet alleen wist hij op flatulente wijze kaarsen uit te blazen, Pujol perste ook melodieus perfect deuntjes als de Marseillaise en Au clair de la lune van tussen zijn billen.

Maar spitst u nu vooral goed de oren; Joseph werd daar uitzonderlijk goed voor betaald! Het gerucht gaat dat zijn verdiensten op een gegeven moment zelfs hoger lagen dan die van Sarah Bernhardt, een van de allergrootste actrices van haar tijd én gelijktijdig de hemel in geprezen door zowel Oscar Wilde als Mark Twain. Catalogiseert u mijn betoog en Joseph’s talent nog steeds onder de platvloerse noemer? Bedenk dan dat Le Pétomane grootheden als de Belgische koning Leopold II, de Britse kroonprins Edward en Sigmund Freud tot zijn fanclub mocht rekenen. Hem bestempelen als een perverse windbuil is dus wel heel erg kort door de bocht.

Concurrentiekracht en innovatie zijn alles in een moderne, geglobaliseerde wereld waarbij economische rendabiliteit als primaire en vaak zelfs als enige maatstaf wordt gehanteerd. Daarom ook deze raad (Paul D’Hoore-imitatie): ‘tenzij u zich als werknemer in een nichemarkt weet te persen houdt u uw winden maar beter binnen teneinde makkelijker uitgeperst te worden. Wat aanvankelijk als een opgeblazen contradictie overkomt, is dus eigenlijk niets meer dan een noodzakelijke uiting van economische flexibiliteit.’

Laat halfzachte eitjes als Paul Verhaeghe maar eens proberen om daar een speld tussen te krijgen.

Bronnen:

  • Wikipedia & voor de volledige biografie van Joseph Pujol: Le Pétomane du Moulin-Rouge. Mazarine, Paris
  • column eerder verschenen in Dzjoef (Kritisch Gents stadsmagazine)

petomane

Moederdag

Er werd gretig gedeeld. Op virtuele wijze kwam de tentoongespreide liefde tot mij. Ontbijtbuffetten waar op geen exclusief gepresenteerd sneetje kaas meer of minder werd gekeken. Boeketten, dure waar heel lang voor in de rij werd gestaan of zelf geplukte, daarom niet minder kostbaar. Juwelen en abonnementen op de Flair en de sauna. Jarretelles en bh’s. Vader Economie lacht vandaag breder dan Moeder Natuur.

De liefde viel op te delen in drie brede compartimenten; oprecht aandoenlijk geknutsel, platte commercie en intens verdriet. Niet iedereen heeft het geluk de liefde vandaag nog recht in de ogen te kunnen kijken. Als ik de nuchterheid laat vallen weet ik dat één dag niet volstaat voor dit soort liefde. En dan zeker dit etmaal niet. Oprecht merci moeder. Zowel die van mij als die van mijn kind. Bedankt voor morgen en voor gisteren. Vandaag is slechts bijzaak.

a flower