Rauw, hees, teder

Even opnieuw gelezen. Ter bevordering van de onsterfelijkheid.

Dimitri Verbelen

Achttien was ik. Achttien en onsterfelijk, zoals al mijn vrienden onsterfelijk waren. ‘Blauw’ en ‘Iedereen is van de wereld’ bliezen mij van mijn sokken. Die gekke, bizarre, vernieuwende, energieke Hollanders intrigeerden mij van bij de eerste noot die ze doorheen mijn oren jaagden. Thé Lau straalde een grinta uit die ik nooit eerder had ervaren. En een vrouw op een basgitaar? Met een naam die adel uitstraalde? En die teksten? Ik wist het allemaal niet direct te plaatsen maar … het klopte. Het klopte als nooit te voren.

Muziek kan op die leeftijd ongemeen hard binnenkomen. Het kan de soundtrack van je leven vormen. The Scene grabbelde mij onverwacht maar overtuigd bij mijn nekvel. Ik kocht eerst ‘Blauw’ en daarna pas ‘Rij rij rij’. Hoe dat komt weet ik niet echt meer. Gedurende dik twee jaar ging er geen maand voorbij waarin ik niet minstens één van die twee albums…

View original post 585 woorden meer

Hypothese

Stel je voor: je legt een fantastisch examen af aan de KU Leuven. De obligate verstrooide professor verzamelt alle examenformulieren in een ietwat afgeleefde kartonnen doos en laat de hele mikmak in zijn bureel staan. De schoonmaakploeg aanziet het als oud papier en kiepert alles bij het vuilnis. Je moet het examen opnieuw afleggen. Uit woede en frustratie ben je compleet je focus kwijt. Angst verteert zelfvertrouwen. Het zweet gutst langs je rug je bilspleet binnen. Wat toen nog ging, gaat nu niet meer. Het examen is een ramp. Je buist, grandioos. De oneerlijkheid van dit gegeven kraakt je mentale weerstand. Compleet gedesillusioneerd verlaat je de universiteit. Gebroken door onrecht en alcohol recht je na een paar jaar opnieuw je rug. Zonder diploma is de enige job waarvoor je nog in aanmerking komt een onderbetaalde betrekking bij het schoonmaakteam van de KU Leuven. Je stapt het lokaal van de professor Chemie binnen. Op zijn bureau staat een sjofele kartonnen doos …

doos

Brandhout

In Kevins hoofd was het altijd oorlog. Iedere dag ging hij boos naar bed om exact zeven uur later terug boos op te staan. Zelfs zijn dromen waren rusteloos. Zo was het altijd al gegaan. Als kind begreep hij maar niet waar die zeemzoeterige ooh’s en aah’s vandaan kwamen die zijn leeftijdsgenoten slaakten bij het aanschouwen van pakweg een pasgeboren poesje. Grootvader had pasgeboren poesjes steeds in de Leuvense Stoof gegooid. Niet omdat pasgeboren poesjes voor gezellige warmte zorgden, neen, gewoon omdat die pluizenballen ruiven en aan meubels krabben. Als je ze helemaal liet doen, scheten ze zo maar je hele huis onder. Poesjes horen thuis in de stoof. Net zoals duiven thuishoren in de braadpan. Kevin had op grootvaders bevel zijn eerste duif de nek omgedraaid toen hij net zes geworden was. Het was zijn enige verjaardagscadeau geweest.

– “Hier jongen, stevig vasthouden, zachtjes uit elkaar trekken en tegelijkertijd draaien tot het kraakt.”

Kevin had wel vier keer moeten draaien eer de weerspannige duivennek wou kraken. Het verlossende geluid was dat van een knakkend twijgje. Grootvader had boos gekeken en geroepen.

– “Ze was bijna ontsnapt! Trekken en draaien, is dat nu godverdomme zo moeilijk? Soms denk ik dat ge even stom zijt als uw moeder!”

Moeder was getrouwd geweest met de zoon van grootvader. Kevin had zijn ouders nooit gekend. Behalve dan van de vergeelde trouwfoto die op de schoorsteenmantel stond. Mooi tussenin een klok die elk uur dingdong zei en een grote glazen stolp van waaronder de maagd Maria streng de wereld bekeek. Moeder en vader woonden samen bij de maagd Maria. Al bijna heel Kevins leven lang. Hij was amper twee geweest toen de brede eik bij het kruispunt het won van vaders auto. Misschien was het daarom wel dat Kevin zo graag bomen in stukken hakte. Urenlang kon hij houtblokken klieven, van ’s morgens vroeg tot op het moment dat de zon de toppen van de nog om te zagen bomen streelde. Stapels en stapels hout had hij al bijeen gehakt. Dat moest ook wel, tenslotte brandt een stoof geen hele winter lang enkel op poesjes. Grootmoeder was de overwinning van de bomen nooit te boven gekomen. Soms zat ze dagenlang in haar schommelstoel door het raam te kijken. Gewoon te wachten tot de dag voorbij wou gaan om plaats te maken voor een nacht die ze huilend in haar bed doorbracht.

– “Dat mens is godverdomme zo zot als een achterdeur jongen, hoor je dat, zo zot als een achterdeur.”

Dat was wat grootvader binnensmonds mompelde wanneer hij de voordeur achter zich liet dichtvallen net voor naar het café vertrok. Op een dag was grootmoeder gewoon in haar stoel blijven zitten. Uitgeschommeld. Tijdens de begrafenis waren grootvader en Kevin samen met de pastoor de enige aanwezigen geweest.

– “Daar zie, de zotte taart, ge ziet nu waar ge eindigt als ge uzelf laat gaan.”

Dat waren de laatste woorden die grootvader ooit nog over haar sprak. Hij spuwde op de grond en het leven ging verder. Nu moest Kevin plots terugdenken aan die dag. Hij vroeg zich af of alles niet opnieuw zo hoorde te gaan. Met een kerk en kaarsen en zo. Ach wat, we waren ondertussen toch al dik tien jaar verder en hij had helemaal geen zin om alleen met de pastoor op het kerkhof te gaan staan. Opa had die nacht voor het eerst in zijn bed geplast.

Met één welgemikte slag hakte Kevin de schedel van zijn grootvader doormidden. Het verlossende geluid leek op dat van een splijtend houtblok. Zijn gezicht was uitdrukkingsloos. Eén enkele zweetdruppel parelde op zijn voorhoofd. Het was pas ochtend en er stonden buiten nog heel wat bomen te wachten. Kevin had nog heel wat werk voor de boeg eer alles in de Leuvense Stoof zou passen.

bijl