Stem van de reiziger

Wegens een spontane vakbondsactie zal de trein van 07u06 richting Brussel vandaag uitzonderlijk niet rijden.

Het is niet dat een beetje treinreiziger daar nog van opkijkt. De ene zucht, de andere vloekt. Het overgrote deel van de tijdelijke perronbevolking haalt de schouders op. Gewenning is een vies ding. Gegijzeld door de spoorbonden, en dat vijf dagen voor hun aangekondigde algemene staking. Ik gebruik het begrip ‘gegijzeld’ niet lichtzinnig. Ik heb het vier keer getypt en opnieuw gewist alvorens ik uiteindelijk besloot om het toch te laten staan. Want dat is het. Een spontane, onaangekondigde staking is een gijzeling. Het getuigt van nul respect voor de reiziger wiens begrip gevraagd wordt, wiens belangen mede gebruikt worden als argument om de actie te rechtvaardigen. Opnieuw en opnieuw.

Online laaien de discussies weer op. Pro en contra. Dezelfde argumenten, dezelfde retoriek. Misschien een spikkeltje meer onderlinge haat dan de vorige keer. De kloof wordt enkel dieper. Het splijt het land op meer fronten dan enkel dat van het openbaar vervoer.

Ik weet dat ik met dit schrijven mensen achter mij krijg die ik niet achter mij wil krijgen. Ik geloof in vakbonden. In rechten en de strijd om die te behouden. Maar ik geloof niet in dit soort guerrilla-acties die in de praktijk enkel mensen treffen die medestanders zouden kunnen zijn. Sterker nog, ik geloof dat de vakbonden van vandaag hun eigen grootste vijand kunnen zijn.

Ik weet dat ik mensen tegen mij ga krijgen die beweren dat ik beter wat meer solidariteit zou tonen. Tegen hen zeg ik: tijdens mijn dertig jaar als pendelaar heb ik al veel solidariteit opgebracht. Ik heb verlofdagen opgeofferd, ik heb betaalde alternatieven gezocht terwijl mijn betaalde abonnement nutteloos in mijn zak bleef zitten. Ik zou niet eens weten over hoeveel dagen of over hoeveel geld ik spreek. Maar het is aanzienlijk, dat geef ik u graag mee.

Ik spreek hier zonder politiek motief, enkel als reiziger. Omdat wij ook een stem verdienen in dit debat. Omdat wij, los van wie ook verantwoordelijk is, waarschijnlijk de meest bespuwde klanten zijn van heel deze vierkant draaiende tricolore schotelvod.

Bedankt voor de zoveelste fluim, beste spoorbonden, beste politici.

Wij danken u voor uw begrip. Alweer.

D!

spoor

 

18 in ’91

Ik was 18 in 1991. Dat hield in dat ik volgens de wetten van dit land eindelijk als volwassen werd beschouwd. Ikzelf zou er nog een paar jaar langer over doen. Het praktische gevolg was dat ik op 24 november voor de allereerste keer naar de stembus mocht. Federale verkiezingen. Op de schoolbanken werd ons ingepompt dat dit democratische recht een privilege was; het hoogste politieke goed. In het auditorium van de school kwamen een paar lokale politieke coryfeeën ons warm maken voor het democratische ideaalbeeld. (lees: verse stemmen oogsten). Iets in mij werd geprikkeld. Mijn eerste stem was bewust en weloverwogen. Ik verliet het stemhokje in de naïeve overtuiging dat ik de wereld had veranderd.

Na de telling sprak men van een ‘zwarte zondag’. Het Vlaams Blok greep twaalf zetels in de Kamer. De nieuwe lijst ROSSEM rond fenomeen Jean-Pierre Van Rossem haalde uit het niets drie zetels binnen. Men sprak van ‘antipolitiek’ en ‘het signaal van de kiezer’.

Dehaene I werd gevormd met de belofte dat dit politieke schot voor de boeg niet zonder gevolgen zou blijven. In de praktijk veranderde er weinig. De kabinetsmiliciens werden afgeschaft, daar bleef het zo wat bij. De problemen die het Vlaams Blok groot maakten werden onder de mat geveegd. Het vormt mee het compost die de partij – ondertussen Vlaams Belang – vandaag een stevige groei in de peilingen bezorgen.

Sinds 1991 heb ik veel verkiezingen meegemaakt. Federale en regionale, Europese, provinciale en gemeentelijke. Er kwam al eens een rechtsgezinde regering aan de macht, er kwam al eens een linksgezinde coalitie uit de bus. Iedere samenstelling had zijn eigenaardigheden, soms waren er liberale klemtonen, dan weer eens een paar semi-ecologische. Achteraf was alles altijd de fout van de voorgaande coalitie. Deze trend zou zich enkel versterken naarmate de jaren verstreken. Vandaag viert de polarisatie hoogtij en staan we mogelijks opnieuw voor een stevige ‘ruk naar rechts’ die ons, de politieke geschiedenis van dit land kennende, wel eens een heel erg brede linkse coalitie zou kunnen opleveren, eventueel gedepanneerd door de ideologisch fundamenteel verschillende gelegenheidswinnaar(s) van dienst.

25 jaar na die eerste stem heb ik nooit meer een bolletje gekleurd in de veronderstelling dat ik de wereld had veranderd. Sterker nog: ik kijk met groeiende afkeer naar de politieke structuren die dit land verlammen en de ideologische strijd die de discipelen van links en rechts voeren, als ware het een voetbalderby met fans die elkaar het licht in de ogen niet gunnen en ook een doelpunt van de tegenstander nooit ofte nimmer als ‘mooi’ kunnen bestempelen. Als ik de metafoor mag doortrekken: de spelers op het politieke voetbalveld lijken enkel nog te kunnen tackelen. Liefst zo bruut mogelijk. Zelfs medespelers kunnen nog zelden op een pass of ondersteuning rekenen.

Probleem is dat ik, als overtuigd democraat en stemgerechtigde, ook niet echt meer weet hoe het nu moet. Wat ik wel weet is het volgende: dit systeem werkt niet meer. Het is log en traag en bevolkt door politici die het ook allemaal niet echt meer in de hand hebben, door beroepsbestuurders die zelden verder durven te kijken dan eigenbelang en de waan van de dag. De grote paradox is dat het enkel die laatsten zijn die deze kafkaiaanse structuren geweldloos kunnen omgooien. Al vrees ik dat ook die hoop enkel aan mijn naïviteit toe te schrijven is.

D!

politics