18 in ’91

Ik was 18 in 1991. Dat hield in dat ik volgens de wetten van dit land eindelijk als volwassen werd beschouwd. Ikzelf zou er nog een paar jaar langer over doen. Het praktische gevolg was dat ik op 24 november voor de allereerste keer naar de stembus mocht. Federale verkiezingen. Op de schoolbanken werd ons ingepompt dat dit democratische recht een privilege was; het hoogste politieke goed. In het auditorium van de school kwamen een paar lokale politieke coryfeeën ons warm maken voor het democratische ideaalbeeld. (lees: verse stemmen oogsten). Iets in mij werd geprikkeld. Mijn eerste stem was bewust en weloverwogen. Ik verliet het stemhokje in de naïeve overtuiging dat ik de wereld had veranderd.

Na de telling sprak men van een ‘zwarte zondag’. Het Vlaams Blok greep twaalf zetels in de Kamer. De nieuwe lijst ROSSEM rond fenomeen Jean-Pierre Van Rossem haalde uit het niets drie zetels binnen. Men sprak van ‘antipolitiek’ en ‘het signaal van de kiezer’.

Dehaene I werd gevormd met de belofte dat dit politieke schot voor de boeg niet zonder gevolgen zou blijven. In de praktijk veranderde er weinig. De kabinetsmiliciens werden afgeschaft, daar bleef het zo wat bij. De problemen die het Vlaams Blok groot maakten werden onder de mat geveegd. Het vormt mee het compost die de partij – ondertussen Vlaams Belang – vandaag een stevige groei in de peilingen bezorgen.

Sinds 1991 heb ik veel verkiezingen meegemaakt. Federale en regionale, Europese, provinciale en gemeentelijke. Er kwam al eens een rechtsgezinde regering aan de macht, er kwam al eens een linksgezinde coalitie uit de bus. Iedere samenstelling had zijn eigenaardigheden, soms waren er liberale klemtonen, dan weer eens een paar semi-ecologische. Achteraf was alles altijd de fout van de voorgaande coalitie. Deze trend zou zich enkel versterken naarmate de jaren verstreken. Vandaag viert de polarisatie hoogtij en staan we mogelijks opnieuw voor een stevige ‘ruk naar rechts’ die ons, de politieke geschiedenis van dit land kennende, wel eens een heel erg brede linkse coalitie zou kunnen opleveren, eventueel gedepanneerd door de ideologisch fundamenteel verschillende gelegenheidswinnaar(s) van dienst.

25 jaar na die eerste stem heb ik nooit meer een bolletje gekleurd in de veronderstelling dat ik de wereld had veranderd. Sterker nog: ik kijk met groeiende afkeer naar de politieke structuren die dit land verlammen en de ideologische strijd die de discipelen van links en rechts voeren, als ware het een voetbalderby met fans die elkaar het licht in de ogen niet gunnen en ook een doelpunt van de tegenstander nooit ofte nimmer als ‘mooi’ kunnen bestempelen. Als ik de metafoor mag doortrekken: de spelers op het politieke voetbalveld lijken enkel nog te kunnen tackelen. Liefst zo bruut mogelijk. Zelfs medespelers kunnen nog zelden op een pass of ondersteuning rekenen.

Probleem is dat ik, als overtuigd democraat en stemgerechtigde, ook niet echt meer weet hoe het nu moet. Wat ik wel weet is het volgende: dit systeem werkt niet meer. Het is log en traag en bevolkt door politici die het ook allemaal niet echt meer in de hand hebben, door beroepsbestuurders die zelden verder durven te kijken dan eigenbelang en de waan van de dag. De grote paradox is dat het enkel die laatsten zijn die deze kafkaiaanse structuren geweldloos kunnen omgooien. Al vrees ik dat ook die hoop enkel aan mijn naïviteit toe te schrijven is.

D!

politics

Advertenties