Een sneeuwwit vogeltje

Peter De Caluwe, directeur van De Koninklijke Muntschouwburg, heeft ‘een idee voor morgen’. Zo wist hij in een column en bijhorende spot op Radio 1 te melden. Peter wil dat we opnieuw gaan zingen in de scholen. Dat zou moeten zorgen voor, en ik citeer: ‘betere sfeer, een warmere omgeving, snellere leerresultaten en meer harmonie tussen de leerlingen’. Zingen, begot.

Ik hoorde eerder pleidooien voor meer seksuele voorlichting en reanimatietechnieken in het onderwijs, maar dit is nieuw. Het praktische nut van het aanbrengen van condooms over surrogaat penissen en het ritmisch platdrukken van kunststof rompen onder het goedkeurend oog van een Rode Kruis-vrijwilliger is makkelijk aantoonbaar in deze overbevolkte, volgevreten, stijf van de stress staande maatschappij. Zingen is dat uiteraard heel wat minder. En toch gelooft Peter oprecht dat zingen de ziel en de geest van de ontluikende jongeling in positieve zin kan kneden. Ikzelf ben minder overtuigd. En dat heeft een reden.

Vraag mij niet of het in het tweede of het derde of zelfs het vierde leerjaar was. In de Vrije Basisschool van Aaigem trok dat allemaal op elkaar. Ik geloof wel dat het bij juffrouw Erna was dat ik het eerste grote trauma van mijn jeugd opliep. Pas op, en dan hadden we het breien, het haken en het macrameeën van een mottige uil met houten bollen als ogen al achter de rug. In die tijd leken de grenzen tussen geslachtsgebonden activiteiten minder dun. Of het zou moeten zijn dat het aan Aaigem zelf lag. Altijd al een beetje voor geweest op de rest van de wereld. In elk geval: op een gegeven moment moesten wij op onze stoel gaan staan en voor de voltallige klas ‘Daar zat een sneeuwwit vogeltje’ zingen. Het rotbeest. ‘Al op een stekendorentje, din don deine, al op een stekendorentje, din don don’. Pedagogisch volkomen onverdedigbaar. In onze streken komen geen witte vogeltjes voor. Je kan eenden, ganzen of ooievaars bezwaarlijk vogeltjes noemen. En stekendorentjes mag u ook al ver gaan zoeken. Sla er gelijk welke botanische gids op na; de stekendoren of -doorn is ongekend langs Vlaamse wegen en velden. Laat staan dat er een teer, sneeuwwit vogeltje zo dom is zich tussen al dat gestekelte te begeven. Los daarvan heb ik nooit kunnen zingen. En dan druk ik mij nog zacht uit. Ik houd geen toon, ik klink als een bronstig varken met keelpijn. En dat alles in de overtreffende trap. Daar kunnen alle David Davidsen ter wereld niets aan veranderen.

Toen ik dus, in al mijn jeugdige overmoed en in het aanschijn van al mijn klasgenoten, daar zat een sneeuwwit vogeltje te berde bracht, schoot heel de klas simultaan in een langdurige lachkramp. Juffrouw Erna deed er nog een schepje bovenop door te zeggen dat als ik alsjeblieft zweeg en opnieuw ging zitten, ik uit respect voor mijn toehoorders toch een welverdiende vijf op tien kreeg. Ik ben gretig op haar aanbod ingegaan en heb nooit nog voor een publiek van meer dan twee tubes douchegel gezongen. Peter De Caluwe’s ‘idee voor morgen’ is dus mijn ‘trauma van gisteren’. Laat ons dus maar veiligheidshalve kiezen voor het gniffelen bij een projectie van een dwarsdoorsnede van een eierstok of een zaadleider of voor het beademen van een artificiële mond die vaag naar de adem van een klasgenoot ruikt. Kwestie van hier en daar een hart, een kinderziel of een trommelvlies te behoeden voor vroegtijdig falen.

 

sneeuwwit

Advertisements