Antwoord op antwoord

Piet Raman nam de moeite om te antwoorden op mijn opiniestuk uit De Standaard van 30/08/2016. Aangezien de ruimte om daar te reageren te kort is, doe ik het hier.

Beste Piet,

op de vaststelling dat ik, wat dit onderwerp betreft, nog steeds in het oude patroon denk, kan ik enkel beamend antwoorden. Probleem is dat ik te vaak geconfronteerd word met de bevestiging van dat bewuste patroon. Op globaal vlak vind ik de boodschap van soberheid en solidariteit inderdaad niet stroken met de onmetelijke rijkdom van het instituut. Toegegeven, de huidige paus lijkt mij af en toe hoopgevende uitspraken te doen maar wordt niet zelden tegengewerkt door een machtige en conservatieve clerus. Op Europees en nationaal vlak bekijk ik de schandalen van de afgelopen eeuw (alles daarvoor zou ons te ver doen afwijken) en merk ik weinig verbetering. Op lokaal vlak kan ik enkel vaststellen dat de voormalige deken en zodoende ‘religieus diensthoofd’ van de school waar mijn zoon lessen volgt vorig jaar van de aardbol verdween na aanklachten wegens – oh, verrassing, gij uniek geval nummer zoveel – seksueel overschrijdend gedrag. Dus ja, mea culpa, ik zit inderdaad nog een beetje in dat oude patroon gevangen. Wijs zullen onze bisschoppen op een of andere manier wel zijn. Of ze allemaal even open, eerlijk en rechtvaardig te werk gaan, durf ik echter luidop te betwijfelen.

Ik moet toegeven dat ik bij de opsomming van de sacramenten inderdaad slechts tot zes ben geraakt (de priesterwijding was ik vergeten). Ondanks het feit dat ik er al vier onderging, heb ik er persoonlijk weinig rijkdom aan overgehouden (het gouden armbandje van bij mijn doopsel niet meegerekend). Voor mijn innerlijke rijkdom heb ik geen religie nodig. Ik betwist echter niet dat dat voor iedereen anders ligt en gun iedereen zijn invulling. Dat meen ik oprecht.

Hoe ik naar heiligen kijk? Wel, ik kom al eens buiten, toch ken ik er weinig. Er hing een Sint-Christoffel op het dashboard van de wagen die ik van mijn grootvader heb geërfd maar ik vrees dat die defect was want ik reed de bewuste Ford op een regenachtige dag in de prak. Opnieuw, ik gun u het recht te geloven dat ik die crash heb overleefd omdat de patroonheilige der (en ik zuig dit niet uit mijn duim) reizigers, verkeersdeelnemers, timmerlieden, schilders, pelgrims, fruithandelaren, boekbinders, schatgravers, hakebusschutters, hoedenmakers, tuinmannen en in bijberoep patroon tegen besmettelijke ziekten, onverwachte dood, pest, droogte, onweer, hagel, watersnood, vuurrampen, oogziekten, tandpijn én de gemeente Roermond in zijn geheel over mijn schouder meekeek. De enige moderne heilige die ik ken is – santo subito! – Johannes Paulus II. Ik gun hem zijn statuut en zijn rust maar in mijn ogen blijven heiligen een verzameling doden die de postume titel kregen uit handen van een archaïsche groep levenden. Dat er een aantal markante figuren tussen zitten, zowel in positieve als in negatieve zin, ga je mij niet horen ontkennen. Sorry als wij daarin van mening verschillen. U vergeeft het mij vast.

Verder hebt u de indruk dat ik achterloop of onwetend ben. Dat kan; ik ben nooit van de rapste geweest en alwetend ben ik al zeker niet. Dat kan ik met een gerust hart tot zeven maal zeventig maal toe bevestigen.

“De leer van Jezus van Nazareth is er een van grenzeloze liefde en totale geweldloosheid”, vertrouwt u mij tenslotte nog toe. Ik geloof u. Echt waar. Mijn fundamentele probleem is echter dat dat vaak niets, maar dan ook niets, te maken heeft met de doctrine van de Katholieke Kerk en zijn vertegenwoordigers. Of wat zou een eenvoudige timmermanszoon vinden van het feit dat de familieschrijnwerkerij zich door de geschiedenis heen net iets te nadrukkelijk tot een gewetenloze multinational heeft ontpopt?

Met vriendelijke groeten,

Dimitri Verbelen

SnipImage

Onderwijs Religieuzer

verschenen in De Standaard van 31/08/2016

Als vader van een zevenjarige die morgen opnieuw naar (de katholieke) school trekt was het enigszins schrikken. De Vlaamse bisschoppen willen dat de leerlingen in het secundair de fundamenten van het christendom beter leren kennen. Om dit te bewerkstelligen wordt er een werkgroep opgericht die de godsdienstles opnieuw ‘religieuzer’ moeten maken. Volgens mijn bescheiden mening bestaat er echter een groot verschil tussen de geschiedkundige fundamenten van het katholicisme onderwijzen en leerlingen opnieuw blootstellen aan de dogma’s en rites van de Katholieke Kerk. Sterker nog, ze staan zelfs heel vaak haaks op elkaar.

In gepolariseerde tijden, waarin de islam haast dagelijks onderwerp is van polemiek, ontstaat er uiteraard ruimte voor een tegenbeweging. Ik kan mij niet van de indruk ontdoen dat deze werkgroep gebruik wil maken van de tijdsgeest om een conservatieve koerswijziging door te drukken. Als praktisch voorbeeld wordt de kennis van de verschillende sacramenten en het verschil tussen een zalig- en heiligverklaring aangehaald. Theoretische kennis die volgens mij weinig bijdraagt tot de algemene vorming van een opgroeiend kind.

Toen wij, als ouders, voor een katholieke school kozen, was er van mijn kant heel wat scepsis. De keuze werd uiteindelijk bepaald op basis van meerdere, vaak ook praktische argumenten (bereikbaarheid, kwaliteit, vrienden). Ze kwam er pas na een lang en aangenaam gesprek met de toenmalige directrice. Er werd mij op het hart gedrukt dat de ‘tijd van de catechismus’ reeds lang achter ons lag. De nadruk in de godsdienstles zou op dialoog gaan liggen en de christelijke waarden dienden enkel als hefboom om bepaalde principes te onderwijzen. Een lijn waar ik mij toen zeker in kon vinden.

Bij mij ontstaat vandaag echter de vrees dat de nieuwe richting er een van profilering en dus automatisch meer polarisering zal zijn. Mijn keuze voor het katholieke onderwijs werd mede gemaakt op basis van het aangeboden vooruitzicht dat de ontwikkeling van een kind (in mijn ogen dé basisopdracht van het onderwijs) gebaat was bij het uitdoven van oude, verstarde en verlammende rituelen. Niet bij een voorzichtige poging tot reanimatie ervan.

Bakkes! in het park

Eerst een boterham ‘op den bureau’, waarvan een niet onaanzienlijk deel tussen het klavier belandt, daarna Boterhammen in het Park. Gratis en voor niks. Waar vind je dat nog tegenwoordig? In het Warandepark te Brussel dus. Multitalent Wannes Cappelle bracht zijn Zesde Metaal mee. Ik mijn bereidwillige oren. De zon gomt de lijktint van een paar schijnbaar verloren gelopen ambtenaren weg. Zoals zo vaak het geval is, komen de meeste mensen gewoon om er te zijn. Dat zijn is het hoofddoel geworden. Een selfie of drie, een foto van het podium. Passend filtertje erop en de druk is van de ketel. Vanaf nu kan er gebabbeld worden. En gedronken. En gebabbeld. En eventueel ook nog wat gedronken, ’t Is tenslotte Nie voe kinders. Pas op, ik ben daar zelf ook allemaal niet vies van. Integendeel. Maar naar optredens ga ik doorgaans voor de muziek en de teksten. Sorry, ik weet het, het ligt aan mij.

Je zou kunnen denken dat ‘gratis’ de enige oorzaak is. Helaas, ook bij duurbetaalde concerten rukt het fenomeen verder op. Wat mij keer op keer verbaast; als je dan toch graag heel het optreden door praat (en liefst heel luid want ze horen je zo moeilijk door die muziek), waarom geef je dan in godsnaam pakweg €50 uit aan een ticket? Voor €50 gooi je vaak 25 pinten of meer door je keelgat in een etablissement waar je met een gerust hart mag roepen. Lijkt mij echt een schoolvoorbeeld van een win-win situatie. Want geef nu toe, een Channel Zero overstemt al gauw vijf kwart wei gewauwel, maar een West-Vlaamse singer-songwriter (ondanks de inspanningen van Gerrit Callewaert en de familie Welvaert van nature niet eenvoudig te verstaan) die Frank Vandenbroucke probeert te reanimeren tijdens een gevoelig nummer als Ploegsteert, heeft het echt wel moeilijk tegen een peloton dorstige, babbelzieke keelgaten. Dat draagt misschien een meter of tien ver maar ontaardt al snel in een chasse patate. Wat uiteraard heel jammer is. Ik stel dus voor om vanaf nu naar een optreden te l-u-i-s-t-e-r-e-n en pas daarna ons leven te vertellen. Maakt het trouwens stukken makkelijker om beide te verstaan. Willen we dat zo afspreken? (vrij naar Lydia Protut, hoofd administratie Cynalco Medics)

Met de grootste dankbaarheid,

D!

zesde metaal boterhammen

Shit happens

Sport. Familiaal drama. Een kat die de Macarena danst. Popsterren, liefst met half ontblote tepels. Seks. Een combinatie van de voorgaande twee. Pis. Kak. Een combinatie van de voorgaande drie. Of vier. Dat doet het ‘m meestal wel.

Clickbait. Het is haast even oud als de sociale media zelf. En ik durfde nooit een moraliserende vinger op te steken want ik ben niet te beschaamd om toe te geven hoeveel keer ik er zelf ben ingetrapt. Ik zag ze haast allemaal. De foef van Britney; de agressie van Johnny; de penetratie van Paris. Het was als de Story lezen in de wachtkamer van de tandarts. Het boeide mij slechts matig. Het stoorde mij slechts matig.

Tot clickbait steeds meer mainstream ging. Tot de online varianten van verschillende kranten en nieuwsredacties, gebrand op aandacht en reclame-inkomsten, zich lieten meesleuren in de jacht op de vluchtige klikker. Gisteren werd er opnieuw een grens overschreden. De Fransman Yohann Diniz, wereldrecordhouder snelwandelen, kreeg tijdens zijn olympische race te maken met darmklachten. Hoewel kranten slechts zelden berichten over snelwandelen zijn de gevolgen u waarschijnlijk wel bekend. Diniz’ tegenslag werd door de nieuwsmakers (en niet de minsten) visueel breed uitgesmeerd over het internet (pun not intended). Tijdens duursporten zoals marathonlopen of wielrennen is het een marginaal doch niet geheel uitzonderlijk medisch probleem, darmen en sluitspieren zijn niet altijd even gebrand op topsport. Maar hoeven we dat werkelijk zo gedetailleerd en uitgebreid in beeld te krijgen? Voorzien van **kuch, kuch** ongemeen hilarische commentaren als ‘Shit happens’, ‘Aje moe kakken, moeje kakken’ of ‘De bruine medaille gaat naar…’? Yohann Diniz viel van de eerste plaats terug naar de achtste stek maar liep de race uit. Met de moed in zijn schoenen. En de ogen van de wereld op zijn achterste. Wat mij betreft getuigt dat van meer sportief doorzettingsvermogen dan ik ooit zal kunnen opbrengen. En toch zal, mede dankzij een paar toonaangevende (!) online redacties, het enige wat de meesten zich van hem herinneren niet een van pijn, schaamte en verslagenheid getrokken gezicht zijn, maar zijn besmeurde onderlichaam. Multimediale diarree, de naam journalistiek onwaardig, werd nog nooit zo ironisch hard in beeld gebracht. Waarvoor een welgemeende ‘Shame on you, bende virtuele kakkers!’

D!

IMG_4910