Pukkelpers

Een tijdperk waarin een grofgebekte, narcistische en impulsieve clown president kan worden van een wereldmacht om vervolgens ‘FAKE NEWS!’ te roepen bij elk kritisch vraagteken dat bij zijn uitspraken wordt geplaatst, is waarschijnlijk niet het beste moment om bedenkingen te maken bij de manier waarop nieuws vandaag wordt gemaakt/gebracht. Toch verkies ik het om dat toch te doen. Aanleiding daarvoor is de storm na het Pukkelpopincident waarbij een op Twitter gedeelde video-opname van jongeren die een racistisch lied zongen in de richting van twee zwarte meisjes viraal ging. Eenmaal opgepikt door de reguliere media (wat vandaag in eerste lijn vaak neerkomt op aan kranten verbonden websites die door middel van gratis ‘artikels’ en ronkende koppen zo veel mogelijk reclame-inkomsten moeten opwekken) gaan dergelijke zaken heel snel een eigen leven leiden. Binnen de kortste keren wordt de volledige twittergemeenschap opgedeeld in ongenuanceerde kampen die vervolgens vervallen in de al even onvermijdelijke verbale loopgravenoorlogen. De precedenten zijn te talrijk om op te noemen; de publieke opinie is geprikkeld, de galg wordt bovengehaald en vooral … de clicks gegenereerd. Heel misschien volgen er nog een paar opiniestukken, maar meestal dient zich al een volgend feit aan waardoor ook dit weer wordt vergeten zonder dat er A.) een genuanceerd beeld wordt geschetst en vooral B.) iets fundamenteels verandert.

Wanneer ik, na de – niet meer dan terechte – publieke verontschuldigingen van een van de betrokken jongeren een Facebookpost plaatste waarbij ik te kennen gaf blij te zijn dat ik mijn puberfouten mocht maken in een tijdperk waarin sociale media niet als een ongenadige en vooral ongenuanceerde Big Brother in mijn nek zaten te hijgen, liep ook dat uit de hand. Plots kreeg ik het verwijt, en ik citeer, “snel te zijn om altijd (!) racisme en seksisme onder de mat te vegen”. Een beschuldiging die kan tellen. Het zou van enige ironie getuigen om daar luid schreeuwend tegenin te gaan. Ik laat het dan ook graag passeren. En toch komt zoiets hard binnen. Nu moet u weten dat ik na de lancering van mijn recente roman ‘Bovenhuids’ geprobeerd heb om enige persaandacht te genereren voor de langdurige, en helaas nog steeds actuele, schrijnende situatie in Oost-Congo waar moord, doodslag, gratuit geweld en sinds kort ook Ebola dagelijkse realiteit zijn voor een straatarme bevolking die leeft in een gebied dat steenrijk is aan bodemschatten. Bodemschatten die massaal worden verwerkt in de pc waarop ik dit typ en in de tablet waarop u dit mogelijks leest. Om het heel cru te zeggen: “Handjes kappen, de Congo is van ons 2.0”; schurkenstreken ver van de festivalweide. Ik daag u (en de zangers van dat belachelijke, racistische lied) uit om daar diepgravende journalistieke stukken over te vinden die de voorpagina’s haalden en de verontwaardiging genereren die ze in mijn ogen verdienen. U kunt dit natuurlijk klasseren onder de noemer whataboutisme (want eerst moet die idiote pukkelpopper uiteraard nog op het schavot!) of zelfs bestempelen als een goedkope poging om reclame te maken voor mijn boek, dat staat u vrij. Maar voor mij lopen al deze zaken perfect samen: nét door deze niet aflatende stroom van opgeklopte waan-van-de-dag-media-incidenten hekel ik de steeds minder op het voorplan tredende vrije pers die niet meer de tijd, noch de middelen krijgt om diepgravend het niet steeds voor de hand liggende, urgente nieuws te brengen dat ons mondiaal zou moeten verontwaardigen tot in onze diepste vezels (maar dat o zo zelden doet). Tegelijkertijd weiger ik pertinent de stempel rechts, links of tsjeef te dragen omdat ik niet ongenuanceerd wens mee te gaan in elk sociale-mediaproces dat de revue passeert. En dat liefst zonder daarbij racisme te willen minimaliseren. Ongeacht welke stempel u daarbij al in gedachten had.

 

Advertenties