Niet om te lachen.

Toen de Franse minister van Europese Zaken, Nathalie Loiseau, een paar dagen terug op Facebook verklaarde dat ze haar kat Brexit had genoemd omdat de haarbal besluiteloos gedrag vertoont, waren bepaalde Britse tabloids er als de kippen bij om haar neer te bliksemen. Het deed mij spontaan denken aan de iconische film ‘Monty Python and the Holy Grail’. Meer bepaald aan de scene waarin The French Taunter (vrij vertaald: de Franse treiteraar) koning Arthur en zijn Engelse ridders uitlacht vanop de toren van zijn kasteel.

Het voorval deed mij nadenken over hoe bepaalde vormen van humor steeds vaker onder druk komen te staan. Dat is enerzijds te wijten aan een steeds groter wordende gevoeligheid van individuen en gemeenschappen, maar anderzijds ook aan de grenzeloosheid van sociale media die humor ongenuanceerd voor een breed publiek gooit dat vaak geen enkele notie heeft van de traditie of context waaruit het ontsproten is. Dat bleek onlangs nog toen de Joodse internationale gemeenschap met piepschuim op de lippen van leer trok tegen wat zij een antisemitische carnavalswagen noemen. Ook komiek Bart Cannaerts kan ervan meespreken. Toen hij in 2012, met de beste bedoelingen, een humoristische bewustmakingsvideo voor 11.11.11 opnam waarin hij een Senegalese acteur (die mee in het scenario zat) beledigde, kon hij de volgende dag zijn woonkamer behangen met doodsbedreigingen. Drie jaar geleden trok ook de Britse komiek Sasha Baron Cohen al een definitieve streep door zijn typetjes Borat en Bruno. De reden? Hij vreest voor het leven van zijn familie. En sinds de rel met de Duitse komiek Jan Böhmermann weten we ondertussen ook dat smakeloos lachen met president Erdogan zo’n impact kan hebben dat zelfs Merkel er zenuwachtig van wordt. En dan zwijg ik nog over een aantal cartoonisten in Parijs die, weet u nog wel, de ultieme prijs betaalden voor hun recht op satire.

Als liefhebber van (vaak Britse) humor, liep ik daarnet in gedachten even door een paar van mijn favorieten. Bottom, Blackadder, The Young Ones, The IT-crowd, Absolutely Fabulous. Ik hou ze in het licht van de tijd en vrees dat mochten veel grappen (die ik als legendarisch beschouw) vandaag opgenomen worden, ze in geen tijd tot grote controverse zouden leiden. Zou Manuel ‘I know nothing’, de ietwat domme ober, vandaag nog mishandeld mogen worden door Basil Fawlty? Misschien nog net. Hoewel het waarschijnlijk ook al op bezwaren uit Barcelona zou stuiten. We moeten gewoon opnieuw leren aanvaarden dat humor scherp kan zijn. Af en toe misschien een beetje smakeloos. Bijwijlen zelfs een tikje ranzig. Want als we dat niet kunnen, als humor werkelijk geen grenzen meer mag aftasten, dan rest ons slechts één alternatief: blanco cartoons en de terugkeer van Geert Hoste. Eens kijken wie er dan nog lacht.

Dimitri Verbelen

Verscheen op 29 maart 2019 als column in De Standaard (dSAvond)

Schermafbeelding 2019-04-03 om 20.00.21.png

Advertenties

Ex-roker.

De gebreken. Ik begin graag bij de gebreken. Dan hebben we dat alvast achter de rug. Roken, drinken, beetje angststoornis, een milde vorm van smetvrees, de occasionele paniekaanval, een halve burn-out of bore-out of hoe dat beestje ook mag heten. Ik heb het allemaal achter de rug.

De meeste van mijn demonen zijn ondertussen getemd. Of op zijn minst aan een winterslaap bezig. Dood verklaar ik ze echter nooit, dat durf ik niet. Alleen dat drinken durft om de zoveel maanden nog wel eens voor een uitschuiver te zorgen. Ik vond altijd al dat het met mijn alcoholconsumptie wel meeviel. In het licht van de laatste nieuwe wetenschappelijke bevindingen mag ik ook die illusie horizontaal klasseren. Geloof mij als ik zeg dat het helemaal mijn bedoeling niet is om dat allemaal te bagatelliseren.

Maar het helpt ook niet om alles wat een mens eventjes uit de sleur van het dagelijks leven haalt, terug in zijn gezicht te duwen met de vrolijke vermelding dat hij zijn leven op het spel zet. Van leven ga je dood, dat is redelijk onvermijdelijk. Alcohol en roken zijn slecht voor zowat ieder aspect van je gezondheid. Net zoals yoga combineren met cocaïne. Dat weet iedere kleuter tegenwoordig nog voor hij helemaal zindelijk is. Toch weiger ik pertinent om zo’n drammerige ex-roker te worden die persé de hele wereld met een schuldgevoel wil opzadelen.

Ik begrijp de logica achter het nieuwe, striktere rookbeleid in pretparken en op bepaalde stranden. Niet in het minst omdat een gebrek aan gezond verstand en universele goede manieren bij een bepaalde groep rokers ten dele mee aan de oorzaak liggen van een wetgeving die steeds repressiever lijkt te worden. Een zomerstrand is geen kingsize asbak, dat durven sommigen al eens te vergeten. Het verbod om in het gezelschap van kinderen in de wagen te roken, beschouw ik dan ook als niets minder dan een kinderverzekering tegen de stupiditeit van bepaalde volwassenen. Maar nu er steeds meer stemmen opgaan om roken ook tijdens openluchtfestivals te verbieden, begint er bij mij toch iets te kriebelen. Wat met het recht om heel bewust iets ongezonds te doen en daar oprecht en schaamteloos van te genieten?

Mijn onbehagen draait om zoveel meer dan enkel over het steeds kleiner maken van de publieke ruimte waarin roken nog toegelaten is. Dat is slechts een symptoom. Eén van de vele trouwens in een maatschappij die onze fysieke gezondheid steeds krampachtiger wil beschermen onder een stolp van regels en verboden. Ik word steeds meer bevangen door het gevoel dat die tendens niet echt ten goede komt van onze mentale gemoedstoestand. Gelukkig voor mij valt deze bedenking net in de maand waarin het nieuwe gereglementeerde plan van Maggie De Block om psychologische bijstand betaalbaarder te maken net van start is gegaan. Al lijkt ook dat, los van alle goede bedoelingen, weer deels zijn doel voorbij te schieten.

Dimitri Verbelen

verscheen op 28 maart als column in De Standaard.

Schermafbeelding 2019-03-31 om 14.40.32

Fiets!

Toen Koen Wauters in de hoogdagen van Clouseau kweelde dat zij alles had en hij niets, kon hij onmogelijk vermoeden dat al zijn zorg en kommer slechts tijdsgebonden was. Dertig jaar na ‘Fiets’ (‘Hoezo?’, 1989) trap je een speed pedelec vlotjes voorbij een bromfiets klasse A.

Voor zover ik mij kan herinneren haalden tot op heden twee dodelijke ongevallen met dergelijke snelle fietsen de krant. De eerste keer was eind 2017, toen een Leuvense spoedarts overleed na een botsing met een voetganger. Afgelopen weekend kwam in het Antwerpse district Deurne opnieuw een 23-jarige jongeman om het leven bij een val met een soortgelijke tweewieler. In het eerste geval volstond de fietshelm niet om een fatale afloop af te wenden, in Deurne droeg het slachtoffer geen helm. Zelfs de beste bescherming biedt geen garanties, daar moeten we als maatschappij helaas mee leren leven. Begrijp mij niet verkeerd: ik ben een ambassadeur van het dragen van de helm op de fiets, met die aanvulling dat ik zelf wil blijven beslissen waar en wanneer ik dat doe.

Nog niet zo heel lang geleden kwam ik tijdens het fietsen zelf onzacht in aanraking met het asfalt. Als schrijver uitgerekend op gedichtendag slippen op een rijmplek, het zou iets poëtisch kunnen hebben. Mijn helm heeft mij die dag voor erger behoed. Toch ben ik geen onvoorwaardelijke voorstander van een helmplicht voor stadsfietsen en elektrische modellen die maximaal tot 25 km/u ondersteuning bieden. Daarvoor waardeer ik de vrijheid om op een zonnige dag helmloos en sloom tussen de velden te kunnen fietsen net iets te hard. Ik zou die rationele afweging dan ook heel graag tot mijn vrijheden blijven rekenen.

Wanneer ik daags na het ongeval in Deurne de eerste reacties lees, vrees ik voor een nieuwe golf van door geldingsdrang gedragen voorstellen. Sommigen pleiten voor een algemene helmplicht. Voor alle duidelijkheid: op de speed pedelec is het dragen van een helm, net zoals het bezit van een rijbewijs, al wettelijk vastgelegd. Een verplichting waar ik trouwens volledig achter sta.

Tijdens mijn woon-werkverkeer (gewone elektrische fiets) draag ik steeds overtuigd mijn helm. Zowel de aard van mijn traject als het drukkere verkeer tijdens deze functionele en snellere verplaatsing faciliteren die beslissing. Een zorgwekkende factor die ik echter niet in de hand heb, is het uitblijven van degelijke infrastructuur voor zowat elk type weggebruiker. Dat is en blijft een structurele smet op een zichzelf als vooruitstrevend bestempelende maatschappij. Ik besef dat ik niet de eerste en al zeker niet de laatste ben om op die nagel te kloppen. Maar wanneer ik deze week lees dat het aantal (elektrische) fietsen op onze wegen explosief blijft stijgen, vrees ik dat er nog veel harder op geramd moet worden. Liefst zo hard dat het het geluid van de zoveelste regeltjesdiscussie ruim overstijgt.

Dimitri Verbelen

Verscheen op dinsdag 26 maart als column in dSAvond, de avondeditie van De Standaard.

fietske

 

De Boekenuil van Minerva

Terwijl de jaarlijkse Vlaamse Boekenbeurs vaak het etiket opgeplakt krijgt een volkse bv-show zonder ook maar de minste literaire aspiraties te zijn, wordt het Nederlandse Boekenbal vaak net het tegenovergestelde verweten. De traditionele opening van de Boekenweek zou, volgens een niet gering aantal noorderburen, een hautaine hoogmis van zelfverklaarde progressieve intellectuelen zijn. Ik kan en wil daar niet over oordelen, maar na wat er zich dit weekend heeft afgespeeld, vrees ik vooral dat dat vooroordeel enkel meer draagvlak heeft gekregen.

Nederland, dat er net zoals zo veel andere naties niet in slaagde met – ik stel maar iets geks voor – een doortastend of geloofwaardig politiek beleid de zoveelste verkiezingsoverwinning van de zoveelste populist te vermijden, bevond zich nog volop in de discussiefase (die daar al vaker apocalyptische vormen durft aan te nemen) toen Eveline Aendekerk op het Boekenbal aan haar openingsrede begon. Als voorzitter van de organiserende stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek had Aendekerk net een stilte in haar betoog laten vallen voor een moment van respect ter nagedachtenis aan de slachtoffers van de aanslag in Utrecht. Cabaretier Freek De Jonge dook gretig in die opening om, schreeuwend vanuit het publiek, een collectief statement te eisen tegen de overwinningsspeech van Thierry Baudet. Aanvankelijk leek Aendekerk niet uit haar lood te slaan, waarop De Jonge met schuim op de lippen verder brieste: “Loop er dan niet zo raar overheen. Het is gewoon zo. Doe niet zo dom!” Tien stoelen verderop begon een of andere Neerlands Hoop-groupie als een dronken kraai mee te krijsen ‘Ik ben met Freek! Ik ben met Freek!’ Hier en daar klonk wat lauw geklap, verder vooral consternatie en plaatsvervangende schaamte.

De enige die ook maar iets gebaat lijkt bij Freeks geïmproviseerde opstoot van Gilles de la Tourette is uiteraard Thierry Baudet zelf. Dergelijke reclame is namelijk onbetaalbaar voor iedere zichzelf respecterende demagoog. Uitgerekend op een besloten, sterk gemediatiseerd evenement als het Boekenbal aangevallen worden door een symbool van de ‘culturele elite’, een clubje dat Baudet verwijt de bakens der politieke correctheid uit te zetten die volgens hem mee aan de basis liggen van de ondergang van de Westerse cultuur, zal zijn achterban enkel sterken nog verder mee te gaan in zijn groteske versies van de waarheid. Terwijl Freek De Jonge op de receptie achteraf, genietend van een broodje kroket van truffel en kaviaar, door gelijkgestemden op de rug geklopt wordt voor zoveel durf en branie, gluurt Baudet in ontbloot bovenlijf door het raampje van zijn gebakkenluchtoven om glimlachend vast te stellen dat zijn van oikofobe ingewanden ontdane Uil van Minerva smakelijk aan het spit ronddraait.

Dimitri Verbelen

Verscheen op maandag 25 maart als gastbijdrage in dSAvond, de avondeditie van De Standaard.

IMG_5582

Je suis Oilsjt

Aalsterse carnavalsvereniging De Vismooil’n bevindt zich daags na de 91ste stoet in het oog van een – voorlopig nog – regionale mediastorm. Hun praalwagen, met daarop karikaturale afbeeldingen van Joden, viel niet in de smaak van een aantal Joodse verenigingen die prompt een klacht bij Unia indienden wegens antisemitisme. Direct daarna ontspon zich op sociale media het ondertussen stilaan traditionele welles-nietes spelletje waarbij (inderdaad, bijwijlen racistische) beledigingen en veralgemeningen tussen verschillende kampen al snel de hoofdtoon vormden. Toegegeven, de bekende hoofddeksels in combinatie met de typische pijpenkrullen getuigen niet van veel originaliteit, wat de carnavalsvereniging trouwens zelf beaamt; hun thema ‘sabbatjaar’ staat in carnavalskringen bekend als een jaar waarbij weinig inspanningen worden geleverd (zowel thematisch als financieel) om het jaar daarop sterker uit te kunnen pakken. Je kan dat smakeloos vinden, uiteraard, maar uitspraken als: “De karikaturen zoals die van Der Sturmer, van Joden met een kromme neus en koffers geld, zijn typerend voor het nazisme van 1939.” lijken al even grotesk als het uitgebeelde onderwerp. Het feit dat de Europese Commissie, zonder ook maar de minste voeling te tonen met context of traditie, direct mee op de kar springt om het obligate belerende vingertje op te steken, zal vermoedelijk enkel bijdragen tot nog breder gedragen argwaan tegenover de reeds weinig populaire Europese instellingen. Persoonlijk ben ik van mening dat democratie net stopt bij het aflijnen waar humor al dan niet begint. Zijn we plots de wereldwijde shock na #jesuisCharlie vergeten? Of de verontwaardiging van de quasi volledige natie Kazachstan na de Borat-persiflage door de – uitgerekend – Joodse komiek Sacha Baron Cohen? Aalst carnaval heeft een lange traditie van ‘lachen met’ opgebouwd. Ook IS kreeg er in volle terreurdreiging al meermaals van langs. Migratie, lokale en (inter)nationale politiek, de misbruiken in de kerk; het passeerde allemaal al eens de revue, vaak briljant satirisch, niet altijd even smaakvol, zelden zonder zure oprispingen. Iedereen heeft recht op zijn of haar mening. Maar Facebook werkt in dergelijke gevallen klaarblijkelijk enkel als een katalysator van haat. De kunst van het beschaafd oneens zijn over bepaalde zaken lijken we in digitale tijden wel volledig verleerd. En misschien is dat wel de meest beangstigende vaststelling van allemaal.

affiche-aalst-2019

Pukkelpers

Een tijdperk waarin een grofgebekte, narcistische en impulsieve clown president kan worden van een wereldmacht om vervolgens ‘FAKE NEWS!’ te roepen bij elk kritisch vraagteken dat bij zijn uitspraken wordt geplaatst, is waarschijnlijk niet het beste moment om bedenkingen te maken bij de manier waarop nieuws vandaag wordt gemaakt/gebracht. Toch verkies ik het om dat toch te doen. Aanleiding daarvoor is de storm na het Pukkelpopincident waarbij een op Twitter gedeelde video-opname van jongeren die een racistisch lied zongen in de richting van twee zwarte meisjes viraal ging. Eenmaal opgepikt door de reguliere media (wat vandaag in eerste lijn vaak neerkomt op aan kranten verbonden websites die door middel van gratis ‘artikels’ en ronkende koppen zo veel mogelijk reclame-inkomsten moeten opwekken) gaan dergelijke zaken heel snel een eigen leven leiden. Binnen de kortste keren wordt de volledige twittergemeenschap opgedeeld in ongenuanceerde kampen die vervolgens vervallen in de al even onvermijdelijke verbale loopgravenoorlogen. De precedenten zijn te talrijk om op te noemen; de publieke opinie is geprikkeld, de galg wordt bovengehaald en vooral … de clicks gegenereerd. Heel misschien volgen er nog een paar opiniestukken, maar meestal dient zich al een volgend feit aan waardoor ook dit weer wordt vergeten zonder dat er A.) een genuanceerd beeld wordt geschetst en vooral B.) iets fundamenteels verandert.

Wanneer ik, na de – niet meer dan terechte – publieke verontschuldigingen van een van de betrokken jongeren een Facebookpost plaatste waarbij ik te kennen gaf blij te zijn dat ik mijn puberfouten mocht maken in een tijdperk waarin sociale media niet als een ongenadige en vooral ongenuanceerde Big Brother in mijn nek zaten te hijgen, liep ook dat uit de hand. Plots kreeg ik het verwijt, en ik citeer, “snel te zijn om altijd (!) racisme en seksisme onder de mat te vegen”. Een beschuldiging die kan tellen. Het zou van enige ironie getuigen om daar luid schreeuwend tegenin te gaan. Ik laat het dan ook graag passeren. En toch komt zoiets hard binnen. Nu moet u weten dat ik na de lancering van mijn recente roman ‘Bovenhuids’ geprobeerd heb om enige persaandacht te genereren voor de langdurige, en helaas nog steeds actuele, schrijnende situatie in Oost-Congo waar moord, doodslag, gratuit geweld en sinds kort ook Ebola dagelijkse realiteit zijn voor een straatarme bevolking die leeft in een gebied dat steenrijk is aan bodemschatten. Bodemschatten die massaal worden verwerkt in de pc waarop ik dit typ en in de tablet waarop u dit mogelijks leest. Om het heel cru te zeggen: “Handjes kappen, de Congo is van ons 2.0”; schurkenstreken ver van de festivalweide. Ik daag u (en de zangers van dat belachelijke, racistische lied) uit om daar diepgravende journalistieke stukken over te vinden die de voorpagina’s haalden en de verontwaardiging genereren die ze in mijn ogen verdienen. U kunt dit natuurlijk klasseren onder de noemer whataboutisme (want eerst moet die idiote pukkelpopper uiteraard nog op het schavot!) of zelfs bestempelen als een goedkope poging om reclame te maken voor mijn boek, dat staat u vrij. Maar voor mij lopen al deze zaken perfect samen: nét door deze niet aflatende stroom van opgeklopte waan-van-de-dag-media-incidenten hekel ik de steeds minder op het voorplan tredende vrije pers die niet meer de tijd, noch de middelen krijgt om diepgravend het niet steeds voor de hand liggende, urgente nieuws te brengen dat ons mondiaal zou moeten verontwaardigen tot in onze diepste vezels (maar dat o zo zelden doet). Tegelijkertijd weiger ik pertinent de stempel rechts, links of tsjeef te dragen omdat ik niet ongenuanceerd wens mee te gaan in elk sociale-mediaproces dat de revue passeert. En dat liefst zonder daarbij racisme te willen minimaliseren. Ongeacht welke stempel u daarbij al in gedachten had.

 

Ik, kernfysicus.

Toegegeven, de voordracht van Mia Doornaert als roerganger van het Vlaams Fonds voor de Letteren liet ook mij niet onberoerd. Los van het feit dat ik – als auteur – had gehoopt op iemand met een meer progressieve visie op de maatschappij in het algemeen en de literatuur in het bijzonder, moet je je vooral de vraag stellen in hoeverre deze aanstelling een politieke ingreep is in een instituut dat opgebouwd werd rond mechanismen die politieke inmenging tot het absolute minimum moesten beperken. Die discussie laat ik trouwens liever over aan mensen die meer betrokken zijn bij het VFL (ikzelf heb nooit subsidies aangevraagd of gekregen en spreek dus niet uit ervaring).

Wat mij echter wel voor de borst stoot, is het ietwat hysterische gedrag van filosoof en auteur Bleri Lleshi die op Twitter uitschreeuwt dat hij van de auteurslijst van het VFL geschrapt wil worden als Doornaert effectief voorzitster wordt. Ik citeer: “de lage racistische en islamofobe opinies die Doornaert de wereld instuurt, stroken niet met mijn literair engagement.” Het dreigen met het schrappen van je naam van een subsidielijst (want dat is het), afschilderen als een daad van antiracisme, komt mij in elk geval ook al over als een bizar literair engagement. De tweet bracht uiteraard enige deining teweeg, zo gaat dat nu eenmaal in de virtuele wereld der beperkte lettertekens, waarop een gepikeerde Lleshi opnieuw op Twitter reageerde met: “Het legertje racistische trollers van oa N-VA en VB is verontwaardigd over mijn kritiek op Mia Doornaert.” Los van het feit dat ik mezelf (uitgesproken sceptisch tegenover zowel Doornaerts aanstelling als Lleshi’s tweets) allesbehalve als een racistische trol beschouw (sorry Bleri), zit ik nog steeds te wachten op die onderbouwde kritiek waarnaar Lleshi in zijn laatste tweet verwijst. Ik las tot op heden enkel “zij is racist en iedereen die het daar niet mee eens is, is een racistische trol.” Als dat het verweer is van een filosoof, ben ik een kernfysicus. Geef kritiek, luid en onderbouwd, herhaal die tot vervelens toe, roei tegen de stroom. Maar wapen u met feiten, deugdelijke verwijzingen en argumenten. Terwijl ik er zeker van ben dat Bleri Lleshi naar aanleiding van zijn tweet ook racistische comments te slikken kreeg, is het gevaarlijk en intellectueel oneerlijk om werkelijk iedere kritiek op zijn schreeuw als racistisch weg te zetten. Of toch minstens die schijn op te werpen. Een conservatieve stem – in het geval van Mia Doornaert – is tot nader order niet per definitie een racistische stem. Het holle, polariserende gebral waarvan Lleshi zich nu bedient is gefundenes fressen voor iedereen – links of rechts – die zijn of haar kant van de barricades al lang heeft gekozen. Het debat als edele discussievorm lijkt al enige tijd met uitsterven bedreigd en ook de literatuur vecht steeds krampachtiger voor zijn plaats in digitale tijden. Net daarom verdient uitgerekend deze polemiek zoveel meer dan enkel platte tweets en veralgemenende slogans. En dat geldt zowel voor de adel als voor het voetvolk.

vfl