The rise of the orange knight

10 juli 2021, de zon duikt weg achter een horizon vol koterij. In vaccinatiecentra over heel Vlaanderen wordt het zweet der merkmieren opgenomen met dweilen voorzien van een tricolore randje. Het doel is binnen handbereik. Een zwarte wagen met ministeriële nummerplaat scheurt met veel te hoge snelheid over de N614. Het is een wolkeloze nacht. Met piepende banden neemt de chauffeur de bocht richting Herstappe, de kleinste gemeente van Vlaanderen. Op de hoek van de Kerkstraat en de Dorpsstraat komt de auto bruusk tot stilstand. Het achterportier vliegt open. Wouter B. springt uit de wagen en rent naar de voordeur van het huis in rode baksteen. De digitale klok op het dashboard van de wagen geeft 23u59 aan. Met zijn linkerhand houdt Wouter de bel ingedrukt, de beltoon is scherp, er klinkt gestommel achter de deur. Geroutineerd popt hij met zijn rechterduim de plastic beschermkap van over de injectienaald, zijn bril is door het zweet naar het topje van zijn neus gezakt. De deur zwaait open. Er is geen tijd voor plichtplegingen. Wouter ramt het vaccin in de bovenarm van de verbaasde bewoner. De klokken van de verderop gelegen kerk beginnen te luiden, het is middernacht. Het is 11 juli. De allerlaatste Vlaming werd zonet ingeënt. Wouter B. kijkt tevreden naar de hemel, de eerste vuurwerkpijlen knallen, de Vlaamse feestdag is het begin van een mondiale bevrijding. De wereld komt tot rust.

Vrijheid van religie vs volksgezondheid

Ik heb van nature de neiging om zaken met humor te benaderen. Meestal zijn dat zelfs de onderwerpen die ik heel serieus neem. Maar als ik, overtuigd van de noodzaak van die regel, in het jaar waarin ik mijn vader heb begraven met amper 15 aanwezigen op ruime afstand van elkaar, zonder knuffels of zelfs een troostend schouderklopje, vertegenwoordigers van het Forum der Joodse Organisaties drogredenen op basis van religieuze dogma’s hoor poneren om te duiden waarom het oké is om met 77 personen in een synagoge aanwezig te zijn of trouwfeesten clandestien te laten plaatsvinden, dan roept dat humorloze weerstand bij mij op. Zeker als er in één adem aan wordt toegevoegd dat de Joodse gemeenschap zich alweer geviseerd voelt. Bij mij als individu voedt zoiets de perceptie dat een niet onaanzienlijke groep gelovigen de wetten van hun god(en) nog steeds overtuigd laten primeren boven de wereldlijke macht die geldt in het land waarin zij zich bevinden. Dat uit zich in het eisen van uitzonderingen op dierenrechten, het beperken van de vrijheid op het uiten van bepaalde meningen, het proberen om bepaalde cartoons of lokale gebruiken zoals carnaval te verbieden tot het bewust naast zich neerleggen van wetten en verordeningen die in het belang van ieders gezondheid worden opgelegd. Ik ben mij zeer bewust van het feit dat de godsdienstvrijheid als basisrecht de belangrijke maatschappelijke functie heeft religies te beschermen tegen staatsinmenging. In de praktijk blijkt dat grondrecht echter steeds vaker ingezet te worden als een Paard van Troje dat de Raad van State wordt binnengerold om net het omgekeerde te bewerkstelligen; zich vanuit religieus oogpunt mengen met en/of onttrekken aan wereldlijke macht die even onwrikbaar vast zou moeten liggen als gelijk welk religieus recht. In een maatschappij die zichzelf seculier durft te noemen, is zoiets ronduit gevaarlijk. De kritiek op dit oprukkende fenomeen blijft vanuit politieke hoek – afhankelijk vanuit welke religieuze hoek de wind waait – heel vaak achterwege, en dit terwijl de drie belangrijkste religies zich eraan bezondigen. Voor mij is het
wachten op politici die tegen dit heilige huisje durven te schoppen. Niet omdat ik iemands individuele recht op vrijheid van religie wil aanvallen, integendeel, wel omdat ik van mening ben dat collectief opgelegde en gevolgde religieuze dogma’s haaks kunnen staan op het algemeen belang en de volksgezondheid.

Verschenen in De Standaard op woensdag 30 december

Intussen in het Virungapark

Toen ik aan de research voor mijn laatste roman Bovenhuids begon, kon ik met moeite Kinshasa op de kaart van Congo aanduiden. Dankzij de haast apostolische passie van journaliste en documentairemaakster Elien Spillebeen, die ruim de tijd nam om onwetende fictieauteurs als mezelf te onderrichten in de politieke en humanitaire wantoestanden in Oost-Congo, ging er voor mij een nieuwe wereld open. Sinds die dag heb ik een extra zintuig ontwikkeld om nieuws uit die rijke, maar o zo dodelijke, regio op te pikken.

De coronacrisis had al als gevolg dat buitenlands nieuws schaarser werd en vooral bestond uit besmettingscijfers van buurlanden en vlagen van zinsverbijstering van op hun laatste poten lopende presidenten. In de media viel minder dan ooit nieuws te rapen uit het grensgebied waarin het Virungapark, met al zijn fauna-, flora- en bodemschatten, zich bevindt. Ik vermoed zelfs dat, mocht het park niet beheerd worden door de Belgische prins Emmanuel de Merode, er amper iets zou doorsijpelen. 

Toch viel mijn oog begin deze week op een verontrustende tweet van het ICCN (Congolese Instituut voor Natuurconservatie). Daarin werd het overlijden van zes parkwachters na een raid van een gewelddadige groep gemeld. Het nieuws werd in de marge ook door de Belgische pers opgepikt, maar veroorzaakte weinig deining. De moorden zijn geen alleenstaand feit. Niet minder dan 200 parkwachters sneuvelden al tijdens de uitoefening van hun job. Zelden of nooit worden de daders gevonden, laat staan bestraft. Virunga, op de grens van Congo, Rwanda en Oeganda, is al decennialang politiek instabiel en het wemelt er van de gewapende milities. Amper iemand weet nog voor wie of wat die strijden. 

Die bendes zijn constant op zoek naar inkomsten om hun strijd voort te zetten. Olifanten, nijlpaarden en berggorilla’s stropen, is een lucratieve business die naar schatting jaarlijks een omzet van 50 miljoen dollar genereert. Maar ook de overheden vormen een bedreiging voor deze groene long, waarvan het belang in tijden van klimaatverandering moeilijk overschat kan worden. In hun zoektocht naar rijkdom proberen zij steeds meer natuurlijke grondstoffen te ontginnen. We kunnen doen alsof dat ons niet aanbelangt, maar geloof mij vrij: deze column is te kort om het gigantische ecologische én economische belang van deze regio voor het Westen te schetsen. 

Mede daarom blijf ik mij erover verbazen dat Europa niet meer het voortouw neemt om deze regio duurzaam te ontwikkelen. Ja, er is een VN-vredesmacht gevestigd (Monusco), maar die blinkt vooral uit in apathie, en ja, er zijn kleinschalige projecten die ecologische teelt stimuleren (de chocoladefabriek van Dominique Persoone om er een te noemen). Maar dat volstaat amper om een gamechanger te zijn. 

Natuurlijk moet de heersende coronapandemie onze eerste prioriteit zijn. Maar laat dat niet betekenen dat we uitdagingen die mee onze toekomst kunnen bepalen, zomaar uit het oog verliezen. Deze pandemie verdwijnt vroeg of laat. Laten we er alles aan doen om Virunga niet hetzelfde lot te laten ondergaan.

Dimitri Verbelen is schrijver. In ‘De mening’ geeft een gastschrijver een week lang zijn of haar visie op een actueel thema.

Verschenen in De Standaard op vrijdag 15 januari 2021

Beni Files is een visueel monument voor de slachtoffers van de bloedbaden in Beni, Congo / Elien Spillebeen

Virtuele antropologie

Het verloopt meestal volgens een gelijklopend scenario. De manifestatie is rustig. Een reporter sprokkelt een paar quotes. De actie loopt ten einde. Een harde kern voor wie rustig een zeer rekbaar begrip is, blijft over. De politie krijgt projectielen naar het hoofd geslingerd, privaat en openbaar bezit moet eraan geloven. Een burgemeester of minister reageert verbolgen en belooft dat de schuldigen streng gestraft zullen worden. Zowat iedereen hoort de wind door de holheid van die woorden gieren.

Gisteren, naar aanleiding van een protestactie na de dood van een jonge arrestant en nog voor er ook maar één onderzoeksresultaat bekend was, bleek Brussel alweer het decor van geweld en vernieling. Zelfs het gebruik van een brandbom om een politiekantoor in brand te steken werd niet geschuwd. Je kunt er prat op gaan dat de kloof tussen politie en een bepaald deel van de allochtone gemeenschap weer enkele meters dieper is geworden. En je kon de bodem van die put al amper nog met het blote oog ontwaren. 

Vervolgens breekt de hel los op sociale media. Alles tussen vergoelijking en onomfloerst racisme passeert de revue. Als je, zoals ik, best wat tijd doorbrengt op het internet en daar, tegen beter weten in, haast dwangmatig de commentarensecties uitpluist, begin je na verloop van tijd een database in je hoofd op te bouwen van mensen die vaak en gretig reageren op de meest uiteenlopende items. Noem mij een neuroot, maar ik vind dat, als schrijver, interessant. Je kunt er de mooiste personages uit puren, want de realiteit overtreft altijd de fictie. Noem het een vorm van virtuele antropologie. 

Al snel merkte ik een patroon op in de reacties. Enkele personen die ik een week geleden nog ziedend van woede en verontwaardiging van leer zag trekken tegen de bestormers van het Amerikaanse Capitool, bleken plots zeer mild voor de onderliggende oorzaken van het geweld in Brussel. Aan de andere kant van het spectrum las ik reacties van mensen die volop begrip toonden voor de wildste discipelen van Trump, maar vandaag de meest creatieve doodstraffen wisten te bedenken voor de amokmakers in onze hoofdstad. Mag ik dat kortzichtig vinden? Geweld na demonstraties, wat het al dan niet nobele doel ook is, is altijd contraproductief en plaatst de boodschap volledig op de achtergrond. 

Het is belangrijk om mensen die gratuit geweld gebruiken op manifestaties om politieke of sociale wantoestanden aan te klagen, niet op te delen op basis van hun kleur, religieuze overtuiging of politieke strekking. We moeten ze op gelijke voet behandelen en hen los van het links-rechtsdenken durven te benoemen. Of u nu de termen tuig, janhagel, gepeupel, uitschot of crapuul gebruikt, laat mij etymologisch koud. Zolang we het er maar over eens zijn dat alleen breed gedragen afkeuring het enige correcte antwoord is, toch?

Dimitri Verbelen is schrijver. In ‘De mening’ geeft een gastschrijver een week lang zijn of haar visie op een actueel thema.

Verschenen in De Standaard op donderdag 14 januari 2021

Over België en andere problemen

Durven we? Durven we kritisch achterom te kijken naar hoe deze hele coronacrisis, die nu toch al bijna een vol jaar onze levens bepaalt, op praktisch vlak werd aangepakt? Ik ga er mij voorzichtig aan wagen. Die voorzichtigheid vindt haar oorsprong in de onvoorwaardelijke aanname dat iedereen handelt vanuit de intentie om goed te doen. Maar net zoals intenties geen garantie bieden op kwaliteit, is niet evalueren de beste manier om dezelfde fouten keer op keer opnieuw te herhalen. Ik zeg het niet graag, maar niemand kan ons verzekeren dat deze pandemie de enige is waarmee we in dit leven nog geconfronteerd zullen worden. Ik kan dus alleen hopen dat onze bestuurders dezelfde mening zijn toegedaan en zichzelf en de instellingen waarin ze zetelen in vraag durven te stellen.

Wat de eerste maanden betreft, wil ik kort zijn: het was best wel chaotisch. Maar bon, dat gold eigenlijk voor het grootste deel van de westerse wereld. De snelheid en intensiteit waarmee corona ons in onze slaap overviel, dwingt tot enige mildheid. In een land waar het al eens vijfhonderd dagen kan duren om een van de vele regeringen te vormen, kun je niet verwachten dat er op Chinese wijze noodvoorzieningen worden opgetrokken. Alleen zijn er een paar zaken uit die periode blijven hangen die nog steeds vragen bij mij oproepen. 

Is er eigenlijk al een degelijke verklaring gegeven waarom de strategische voorraad mondmaskers in 2018 vernietigd werd, hoewel experts in een Pano-reportage beweren dat zelfs de vervallen maskers nog van pas hadden kunnen komen? Zijn er mensen ter verantwoording geroepen voor het niet opnieuw aanvullen van deze voorraden? En hoe zit het met het gerechtelijke onderzoek naar vermeende malafide handelaars bij de paniekerige orders om in volle crisis maskers aan te kopen? Of rekenen onze bestuurders op onze gebruikelijke collectieve apathie om dat alles rustig te laten ondersneeuwen? 

Wat mij misschien nog wel het meeste zorgen baart, is dat er schijnbaar weinig of geen lessen getrokken worden uit deze situatie. Het is en blijft een inconvenient truth dat de complexe manier waarop dit land is opgebouwd een immens negatieve impact heeft op de aanpak van gelijk welk probleem. De realist in mij gelooft niet dat ik in dit leven nog ga meemaken dat er voor elk probleem minder dan vijf ministers bevoegd zijn. De innerlijke optimist daarentegen durft te hopen dat deze pandemie ons met de neus op de feiten drukt en net kansen creëert om een efficiënt draaiboek te ontwerpen dat de wirwar van bestuurlijke instellingen aan een scherpe audit onderwerpt. Als notoir pessimist vrees ik dan weer dat we het tegen de volgende pandemie gebruikt hebben om een gat in een gewestweg mee te vullen.

Dimitri Verbelen is schrijver. In ‘De mening’ geeft een gastschrijver een week lang zijn of haar visie op een actueel thema.

Verschenen in De Standaard op woensdag 13 januari 2021

George Orwell, 2021

Een zoveelste mening over de gevolgen van een socialemediaban voor een man wiens ego vermoedelijk groter is dan de natie waar hij nog slechts een paar dagen de presidentiële plak mag zwaaien, lijkt mij van het goede te veel. Als auteur en bibliotheekmedewerker focus ik liever op een fenomeen dat ik in de nasleep van online discussies over uiteenlopende onderwerpen al vaak zag opduiken. 

Ik heb het over al die mensen die mijn favoriete auteur citeren: Eric Arthur Blair. U kent de man ongetwijfeld beter onder zijn pseudoniem George Orwell. Diens iconische zinsnede ‘Big Brother is watching you’ uit zijn tijdloze roman 1984 wordt te pas en te onpas ingezet om in online discussies argumenten op literaire wijze kracht bij te zetten. Wat opvallend is: dat gebeurt even gratuit vanuit zowat alle hoeken van het politieke spectrum. Grote Broer kan volgens de ene Big Pharma zijn, voor een andere is het de overheid, een wereldreligie, een techbedrijf of de politie. Voor nog anderen is het dan weer een elitegroep die boven de overheid staat. Kortom: hoewel Orwell al zeventig jaar overleden is, is zijn Grote Broer springlevend op het internet. 

De schrijver in mij vraagt zich dan af wat de man daar vandaag zelf zou over denken. Ik kan alleen vermoeden dat hij vooral verbaasd zou zijn over hoe gretig we Big Brother omarmen, over hoe we hem met veel jolijt in ons leven uitnodigen en ons gewillig aan zijn voeten werpen. In Orwells 1984 was het telescherm het belangrijkste instrument om de burger te observeren. Het scherm werd verplicht in ieders huis aangebracht en braakte de hele dag indoctrinerende boodschappen en voorgekauwde leugens uit, die van brave burgers slaafse volgelingen moesten maken. 

De natte droom van iedere populist, hoor ik u denken? Allesbehalve. Vandaag is zoiets niet eens meer nodig. We leggen met plezier een smak geld neer voor ons persoonlijke telescherm in de vorm van een smartphone en stellen ons daarna dagelijks bloot aan de invloed van ongrijpbare algoritmes die ons alleen bevestigen in ons grote gelijk. Wat dat ook moge zijn. 

Misschien is de vraag dus niet eens of we groteske leugenaars, populisten, snotneuzen die honden van broodfokkers adopteren, puberführers en allerhande extreme meningen op sociale media moeten toelaten, maar wel of we zelf, als individu, nog voldoende gewapend zijn om over al die meningen kritisch na te denken. Noem mij naïef, maar ergens geloof ik dat het zou helpen om het volledige boek te lezen voor je een quote van een schrijver onder je mening gaat plakken. Doe dat een heel leven lang, en de roeptoeters van het internet verdwijnen vanzelf in de schaduwen van jouw persoonlijke internet.

Dimitri Verbelen is schrijver. In ‘De mening’ geeft een gastschrijver een week lang zijn of haar visie op een actueel thema.

Verschenen in De Standaard op dinsdag 12 januari 2021

Imagoschade? Niet door/voor Kaat Bollen

Google de woorden taboe en psycholoog en je wordt bedolven onder krantenkoppen die de vooroordelen proberen onderuit te halen die nog steeds rond geestelijke gezondheidszorg hangen. Zelf heb ik nooit begrepen waarom er in de perceptie een verschil bestaat tussen lichamelijke en geestelijke gezondheidszorg. Gelukkig zijn er de laatste jaren reuzenstappen gezet om die stigmatiserende muren neer te halen. 

Wie het vak ter harte neemt, is er zich volgens mij als geen ander van bewust hoe moeilijk het voor velen is om als individu een plaats te vinden in de maalstroom van het leven. Net daarom vind ik het frappant dat uitgerekend de ethische commissie van deze beroepscategorie een vonnis uitspreekt tegen een lid dat volgens datzelfde tuchtorgaan de waardigheid van het beroep zou aantasten. Kaat Bollen durfde het zowaar aan om haar vrouwelijke vormen en interesse in seksualiteit te tonen in de pers en op haar persoonlijke socialemediakanalen. 

Voor een collega-psycholoog bleek dat voldoende om een klacht neer te leggen. De tuchtcommissie bekrachtigde de zaak en hield voet bij stuk toen er beroep werd aangetekend. Een belangrijk argument was dat er aanzienlijke imagoschade voor de sector is opgetreden. Ik kan de commissie alleen bijtreden in dat besluit. Alleen is die schade volledig toe te schrijven aan de vereniging zelf. 

In mijn fantasie zag ik een victoriaanse bibliotheek vol pijprokende, brandy slurpende mannen met dikke witte snorren die het vonnis unaniem bekrachtigden. Het is natuurlijk makkelijk om dat beeld op te hangen, dus ging ik een kijkje nemen op de website van de beroepsvereniging. De officiële deontologische code is er makkelijk terug te vinden onder de allesbehalve sexy titel ‘Koninklijk Besluit tot vaststelling van de voorschriften inzake de plichtenleer van de psycholoog’. 

Een uitvoerig deel gaat over de eerbied voor de morele waarden van de klant. Voor die van een collega lijkt dat, gezien de sanctie, net iets minder te gelden. In het hoofdstuk dat gaat over de integriteit en eerlijkheid van de psycholoog vind ik amper iets terug dat de sanctie van Bollen rechtvaardigt. Hoewel artikel 47 misschien wél toepasbaar is op de collega die de klacht heeft ingediend: ‘De psycholoog onthoudt er zich van zijn vakgenoten in het openbaar te denigreren. Hij neemt een collegiale houding aan tegenover alle vakgenoten.’ 

Voor mij lijkt het simpel: zolang Kaat Bollen tijdens een sessie met een van haar klanten niet in een strak korset burlesk begint te dansen, zou ik mij als beroepsvereniging veeleer focussen op een verdere drempelverlaging binnen de sector. De patriarchale bevestiging van clichés die hopelijk alleen zeldzamer worden, zou ik dan weer aan anderen overlaten.

Dimitri Verbelen is schrijver. In ‘De mening’ geeft een gastschrijver een week lang zijn of haar visie op een actueel thema.

Verschenen in De Standaard op maandag 11 januari 2021

Open brief aan de schepen van cultuur en het gemeentebestuur van Lede.

De #SoundOfSilence-actie, die nationale zichtbaarheid verwierf door het oranje kruis dat de sociale media overspoelde, is een broodnodige noodkreet vanuit de cultuursector. Ik had ze ook graag in onze gemeente laten echoën. 

Dat de coronapandemie de cultuur-, feest- en evenementensector heeft lamgelegd, is niet meer dan normaal; de gezondheid van onze naasten is en blijft prioritair. Toen de mysterieuze ziekte wild om zich heen sloeg en onze gemeente bovengemiddeld getroffen werd, waren ongeziene maatregelen nodig om virus in te dijken. Als individu was ik blij dat de gemeente besluiten uitvaardigde die het zekere boven het onzekere verkozen. Evenementen, kermissen en markten werden afgeschaft, de mondmaskerplicht ruim ingevoerd. In mijn ogen: volledig terecht.

Ondertussen weten we echter (zeker niet alles, maar toch al behoorlijk) meer over COVID-19. Het sierde het gemeentebestuur dan ook om de aanvankelijk zeer strikte maatregelen aan te passen naar de nieuwe situatie. De markt kwam terug, de mondmaskerplicht werd bijgestuurd. Er zijn mensen die dat besluitloosheid noemen, ikzelf verkies de termen flexibiliteit en ‘kort op de bal spelen’. Alleen begrijp ik niet dat de aanpassingen voor de cultuursector uitblijven. Leedse fanfares, bands, toneelgezelschappen, muzikanten, artiesten én verenigingen liggen ondertussen al maanden volledig lam. Ikzelf weiger daarin het onderscheid te maken tussen zogenaamde amateurs en professionals. Hoewel ik uiteraard het verschil in economische belangen zie, maak ik mij na al deze gekke maanden vooral zorgen in de verschraling van het evenementenlandschap en onze daaruit voortvloeiende sociale en culturele afstomping. 

De directe aanleiding van dit schrijven zit hem in het burgemeesterbesluit van 28 juli waarin alle evenmenten tot en met 30 september werden afgelast. Alle begrip dat dit voor grote evenementen zoals het Volksbal gehandhaafd blijft. Ondertussen weten we echter dat openluchtbijeenkomsten zoals de eerder geannuleerde pop-upcinema en kleinschalige optredens slechts een verwaarloosbaar risico op besmetting inhouden, terwijl ze toch zo veel kunnen betekenen voor onze geestelijke gezondheid. Zelf ben ik vanuit mijn werk de afgelopen weken actief mee betrokken geweest bij de organisatie van KOER&TOER, het cultuurevenement in Aalst waar we wekenlang coronaproof comedy, muziek, literatuur en theater brengen. Het vraagt uiteraard wat meer organisatie maar het is perfect doenbaar, ook op maat van Lede. Bovendien blijkt dit ook economisch positieve gevolgen te hebben voor de lokale horeca. 

Vanuit dit perspectief wil ik dan ook een warme oproep lanceren aan het gemeentebestuur om versoepelingen toe te staan die de aanbevelingen van de Nationale Veiligheidscel niet in de weg staan. Kleinschalige openluchtoptredens (en waarom niet: voorstelling met heel beperkte capaciteit binnen de Volkskring), gemeentelijk of privaat, zijn perfect veilig te organiseren en vormen een broodnodige verademing in deze cultuurbarre maanden. Hopelijk kunnen lokaal bestuur en cultuurverenigingen en artiesten samen aan de slag om Lede opnieuw – veilig! – te laten bruisen.

#samentegencorona #samenvoorcultuur #SoundOfSilence

Dimitri Verbelen 

Schrijver en voormalig cultuurlaureaat gemeente Lede.

Brandhout

In Kevins hoofd was het altijd oorlog. Zo was het altijd al gegaan. Iedere dag ging hij boos naar bed om exact zeven uur later terug boos op te staan. Zelfs zijn dromen waren rusteloos. Als kind begreep hij maar niet waar die zeemzoeterige ooh’s en aah’s vandaan kwamen die zijn leeftijdsgenoten slaakten bij het aanschouwen van pakweg een pasgeboren poesje.

Grootvader had pasgeboren poesjes steeds in de Leuvense Stoof gegooid. Niet omdat pasgeboren poesjes voor gezellige warmte zorgden, neen, gewoon omdat die pluizenballen ruiven en aan meubels krabben. Als je ze helemaal liet doen, scheten ze zo maar je hele huis onder. Poesjes horen thuis in de stoof. Net zoals duiven thuishoren in de braadpan.

Kevin had op grootvaders bevel zijn eerste duif de nek omgedraaid toen hij net zes geworden was. Het was zijn enige verjaardagscadeau geweest. “Hier jongen, stevig vasthouden, zachtjes uit elkaar trekken en tegelijkertijd draaien tot het kraakt.” Kevin had wel vier keer moeten draaien eer de weerspannige duivennek wou kraken. Het verlossende geluid was dat van een knakkend twijgje. Grootvader had boos gekeken en geroepen. “Ze was bijna ontsnapt! Trekken en draaien, is dat nu godverdomme zo moeilijk? Soms denk ik dat ge even stom zijt als uw moeder!”

Moeder was getrouwd geweest met de zoon van grootvader. Kevin had zijn ouders nooit gekend, behalve dan van de vergeelde trouwfoto die op de schoorsteenmantel stond. Mooi tussenin een klok die elk uur dingdong zei en een grote glazen stolp van waaronder de maagd Maria streng de wereld bekeek.

Moeder en vader woonden samen bij de maagd Maria. Al bijna heel Kevins leven lang. Hij was amper twee geweest toen de brede eik bij het kruispunt het won van vaders auto. Misschien was het daarom wel dat Kevin zo graag bomen in stukken hakte. Zo’n beetje als wraak omdat ze zijn ouders hadden vermoord. Urenlang kon hij houtblokken klieven, van ’s morgens vroeg tot op het moment dat de zon de toppen van de nog om te zagen bomen streelde. Stapels en stapels hout had hij al bijeengehakt. Dat moest ook wel, tenslotte brandt een stoof geen hele winter lang alleen maar op poesjes.

Grootmoeder was de overwinning van de bomen nooit te boven gekomen. Soms zat ze dagenlang in haar schommelstoel door het raam te kijken. Gewoon te wachten tot de dag voorbij wou gaan om plaats te maken voor een nacht die ze tussen slaap en droom in haar bed doorbracht. “Dat mens is godverdomme zo zot als een achterdeur jongen, hoor je dat, zo zot als een achterdeur.” Dat was wat grootvader binnensmonds mompelde wanneer hij de voordeur achter zich liet dichtvallen net voor hij richting café De Volkskring vertrok.

Op een dag was grootmoeder gewoon in haar stoel blijven zitten. Uitgeschommeld. Tijdens de begrafenis waren grootvader en Kevin samen met de pastoor de enige aanwezigen geweest. “Daar zie, de zotte taart, ge ziet nu waar ge eindigt als ge uzelf laat gaan.” Dat waren de laatste woorden die grootvader ooit nog over haar sprak. Hij spuwde op de grond en het leven ging verder.

Nu moest Kevin plots terugdenken aan die dag. Hij vroeg zich af of alles niet opnieuw zo hoorde te gaan. Met een kerk en kaarsen en mensen die langskwamen omdat ze bidprentjes verzamelden. Ach wat, we waren ondertussen toch al dik tien jaar verder en hij had helemaal geen zin om alleen met een pastoor op het kerkhof te gaan staan.

Opa had die nacht voor het eerst in zijn bed geplast. Met één welgemikte slag hakte Kevin de schedel van zijn grootvader doormidden. Het verlossende geluid leek op dat van een splijtend houtblok. Kevin had nog heel wat werk voor de boeg eer alles in de Leuvense Stoof zou passen.

Maar ik, ik woon in België …

Niemand is ooit kalmer geworden van iemand die hysterisch ‘geen paniek!’ begint te roepen. Integendeel. Hysterie is zelfs op zijn best wanneer het heel luid door verschillende mensen tegelijk wordt uitgeschreeuwd. Paniek bestrijd je met rationele argumenten en feiten, laagdrempelig gecommuniceerd vanuit een instantie waar zoveel mogelijk ‘gestelde lichamen’ zich achter scharen; één breed gedragen spreekbuis die zich beperkt tot – als het even kan – goed onderbouwde, eenduidige informatie. Van een democratische overheid verwacht je dat ze voorbereid is op deze taak.

Maar ik, ik woon in België.

Nu, doorgaans vind ik België best wel charmant. Ik kan hartelijk lachen om recordpogingen regeringsvorming, te kleine legervoertuigen, putten in wegen, acht ministers voor één bevoegdheid, vijf ministers voor een andere, een gat in de begroting dat sneller groeit dan genetisch gemanipuleerde kool en een Europese hoofdstad die in de praktijk nog steeds opgedeeld wordt in 19 dorpen met hoogheidswaanzin. Maar nu het coronavirus steeds wilder om zich heen lijkt te trappen, krijg ik het steeds moeilijker om mij, liefst onder genot van een goeie trappist, te blijven warmen aan die surrealistische warboel die zich voordoet als een moderne, westerse beschaving.

Ik ervaar dan ook een groeiende ergernis bij de manier waarop onze regering deze crisis aanpakt. Voor alle duidelijkheid; als ik het woord regering gebruik, bedoel ik daarmee de verzameling van alle (al dan niet gevormde) regeringen, gewesten, gemeenschappen en al hun aangestelde ministers, vazallen en staatssecretarissen die samen verantwoordelijk zijn voor het functioneren van deze zakdoek die zich een natie noemt. Het maakt mij persoonlijk ook echt geen hol uit of we nu blijven gaan voor een federaal België of gewoon beste buren blijven als bevriende gemeenschappen, maar het wordt onderhand wel tijd dat we knopen doorhakken. ‘Belgische oplossingen’ hebben hun tijd gehad, ze zijn niet opgewassen tegen deze omstandigheden. Met compromissen, halve maatregelen, vingerwijzen, eindeloos delegeren en getalm hou je geen virus onder controle. Integendeel, de veel te uitgebreide, logge, archaïsche en struisvogelpolitiek bevorderende structuren op zowat alle niveaus werken contraproductief in situaties als deze. Eén centrale structuur is wat we nu nodig hebben. Een groep van mensen die ons door deze crisis loodst. Liefst omringd door nuchtere wetenschappers en medische specialisten. Hun moedertaal kan mij op dit moment weinig schelen, hun politieke achtergrond nog veel minder. Ze hoeven niet met duizend te zijn, zelfs niet met negenhonderdnegenennegentig.

Kbelgie