Open brief aan de schepen van cultuur en het gemeentebestuur van Lede.

De #SoundOfSilence-actie, die nationale zichtbaarheid verwierf door het oranje kruis dat de sociale media overspoelde, is een broodnodige noodkreet vanuit de cultuursector. Ik had ze ook graag in onze gemeente laten echoën. 

Dat de coronapandemie de cultuur-, feest- en evenementensector heeft lamgelegd, is niet meer dan normaal; de gezondheid van onze naasten is en blijft prioritair. Toen de mysterieuze ziekte wild om zich heen sloeg en onze gemeente bovengemiddeld getroffen werd, waren ongeziene maatregelen nodig om virus in te dijken. Als individu was ik blij dat de gemeente besluiten uitvaardigde die het zekere boven het onzekere verkozen. Evenementen, kermissen en markten werden afgeschaft, de mondmaskerplicht ruim ingevoerd. In mijn ogen: volledig terecht.

Ondertussen weten we echter (zeker niet alles, maar toch al behoorlijk) meer over COVID-19. Het sierde het gemeentebestuur dan ook om de aanvankelijk zeer strikte maatregelen aan te passen naar de nieuwe situatie. De markt kwam terug, de mondmaskerplicht werd bijgestuurd. Er zijn mensen die dat besluitloosheid noemen, ikzelf verkies de termen flexibiliteit en ‘kort op de bal spelen’. Alleen begrijp ik niet dat de aanpassingen voor de cultuursector uitblijven. Leedse fanfares, bands, toneelgezelschappen, muzikanten, artiesten én verenigingen liggen ondertussen al maanden volledig lam. Ikzelf weiger daarin het onderscheid te maken tussen zogenaamde amateurs en professionals. Hoewel ik uiteraard het verschil in economische belangen zie, maak ik mij na al deze gekke maanden vooral zorgen in de verschraling van het evenementenlandschap en onze daaruit voortvloeiende sociale en culturele afstomping. 

De directe aanleiding van dit schrijven zit hem in het burgemeesterbesluit van 28 juli waarin alle evenmenten tot en met 30 september werden afgelast. Alle begrip dat dit voor grote evenementen zoals het Volksbal gehandhaafd blijft. Ondertussen weten we echter dat openluchtbijeenkomsten zoals de eerder geannuleerde pop-upcinema en kleinschalige optredens slechts een verwaarloosbaar risico op besmetting inhouden, terwijl ze toch zo veel kunnen betekenen voor onze geestelijke gezondheid. Zelf ben ik vanuit mijn werk de afgelopen weken actief mee betrokken geweest bij de organisatie van KOER&TOER, het cultuurevenement in Aalst waar we wekenlang coronaproof comedy, muziek, literatuur en theater brengen. Het vraagt uiteraard wat meer organisatie maar het is perfect doenbaar, ook op maat van Lede. Bovendien blijkt dit ook economisch positieve gevolgen te hebben voor de lokale horeca. 

Vanuit dit perspectief wil ik dan ook een warme oproep lanceren aan het gemeentebestuur om versoepelingen toe te staan die de aanbevelingen van de Nationale Veiligheidscel niet in de weg staan. Kleinschalige openluchtoptredens (en waarom niet: voorstelling met heel beperkte capaciteit binnen de Volkskring), gemeentelijk of privaat, zijn perfect veilig te organiseren en vormen een broodnodige verademing in deze cultuurbarre maanden. Hopelijk kunnen lokaal bestuur en cultuurverenigingen en artiesten samen aan de slag om Lede opnieuw – veilig! – te laten bruisen.

#samentegencorona #samenvoorcultuur #SoundOfSilence

Dimitri Verbelen 

Schrijver en voormalig cultuurlaureaat gemeente Lede.

Brandhout

In Kevins hoofd was het altijd oorlog. Zo was het altijd al gegaan. Iedere dag ging hij boos naar bed om exact zeven uur later terug boos op te staan. Zelfs zijn dromen waren rusteloos. Als kind begreep hij maar niet waar die zeemzoeterige ooh’s en aah’s vandaan kwamen die zijn leeftijdsgenoten slaakten bij het aanschouwen van pakweg een pasgeboren poesje.

Grootvader had pasgeboren poesjes steeds in de Leuvense Stoof gegooid. Niet omdat pasgeboren poesjes voor gezellige warmte zorgden, neen, gewoon omdat die pluizenballen ruiven en aan meubels krabben. Als je ze helemaal liet doen, scheten ze zo maar je hele huis onder. Poesjes horen thuis in de stoof. Net zoals duiven thuishoren in de braadpan.

Kevin had op grootvaders bevel zijn eerste duif de nek omgedraaid toen hij net zes geworden was. Het was zijn enige verjaardagscadeau geweest. “Hier jongen, stevig vasthouden, zachtjes uit elkaar trekken en tegelijkertijd draaien tot het kraakt.” Kevin had wel vier keer moeten draaien eer de weerspannige duivennek wou kraken. Het verlossende geluid was dat van een knakkend twijgje. Grootvader had boos gekeken en geroepen. “Ze was bijna ontsnapt! Trekken en draaien, is dat nu godverdomme zo moeilijk? Soms denk ik dat ge even stom zijt als uw moeder!”

Moeder was getrouwd geweest met de zoon van grootvader. Kevin had zijn ouders nooit gekend, behalve dan van de vergeelde trouwfoto die op de schoorsteenmantel stond. Mooi tussenin een klok die elk uur dingdong zei en een grote glazen stolp van waaronder de maagd Maria streng de wereld bekeek.

Moeder en vader woonden samen bij de maagd Maria. Al bijna heel Kevins leven lang. Hij was amper twee geweest toen de brede eik bij het kruispunt het won van vaders auto. Misschien was het daarom wel dat Kevin zo graag bomen in stukken hakte. Zo’n beetje als wraak omdat ze zijn ouders hadden vermoord. Urenlang kon hij houtblokken klieven, van ’s morgens vroeg tot op het moment dat de zon de toppen van de nog om te zagen bomen streelde. Stapels en stapels hout had hij al bijeengehakt. Dat moest ook wel, tenslotte brandt een stoof geen hele winter lang alleen maar op poesjes.

Grootmoeder was de overwinning van de bomen nooit te boven gekomen. Soms zat ze dagenlang in haar schommelstoel door het raam te kijken. Gewoon te wachten tot de dag voorbij wou gaan om plaats te maken voor een nacht die ze tussen slaap en droom in haar bed doorbracht. “Dat mens is godverdomme zo zot als een achterdeur jongen, hoor je dat, zo zot als een achterdeur.” Dat was wat grootvader binnensmonds mompelde wanneer hij de voordeur achter zich liet dichtvallen net voor hij richting café De Volkskring vertrok.

Op een dag was grootmoeder gewoon in haar stoel blijven zitten. Uitgeschommeld. Tijdens de begrafenis waren grootvader en Kevin samen met de pastoor de enige aanwezigen geweest. “Daar zie, de zotte taart, ge ziet nu waar ge eindigt als ge uzelf laat gaan.” Dat waren de laatste woorden die grootvader ooit nog over haar sprak. Hij spuwde op de grond en het leven ging verder.

Nu moest Kevin plots terugdenken aan die dag. Hij vroeg zich af of alles niet opnieuw zo hoorde te gaan. Met een kerk en kaarsen en mensen die langskwamen omdat ze bidprentjes verzamelden. Ach wat, we waren ondertussen toch al dik tien jaar verder en hij had helemaal geen zin om alleen met een pastoor op het kerkhof te gaan staan.

Opa had die nacht voor het eerst in zijn bed geplast. Met één welgemikte slag hakte Kevin de schedel van zijn grootvader doormidden. Het verlossende geluid leek op dat van een splijtend houtblok. Kevin had nog heel wat werk voor de boeg eer alles in de Leuvense Stoof zou passen.

Maar ik, ik woon in België …

Niemand is ooit kalmer geworden van iemand die hysterisch ‘geen paniek!’ begint te roepen. Integendeel. Hysterie is zelfs op zijn best wanneer het heel luid door verschillende mensen tegelijk wordt uitgeschreeuwd. Paniek bestrijd je met rationele argumenten en feiten, laagdrempelig gecommuniceerd vanuit een instantie waar zoveel mogelijk ‘gestelde lichamen’ zich achter scharen; één breed gedragen spreekbuis die zich beperkt tot – als het even kan – goed onderbouwde, eenduidige informatie. Van een democratische overheid verwacht je dat ze voorbereid is op deze taak.

Maar ik, ik woon in België.

Nu, doorgaans vind ik België best wel charmant. Ik kan hartelijk lachen om recordpogingen regeringsvorming, te kleine legervoertuigen, putten in wegen, acht ministers voor één bevoegdheid, vijf ministers voor een andere, een gat in de begroting dat sneller groeit dan genetisch gemanipuleerde kool en een Europese hoofdstad die in de praktijk nog steeds opgedeeld wordt in 19 dorpen met hoogheidswaanzin. Maar nu het coronavirus steeds wilder om zich heen lijkt te trappen, krijg ik het steeds moeilijker om mij, liefst onder genot van een goeie trappist, te blijven warmen aan die surrealistische warboel die zich voordoet als een moderne, westerse beschaving.

Ik ervaar dan ook een groeiende ergernis bij de manier waarop onze regering deze crisis aanpakt. Voor alle duidelijkheid; als ik het woord regering gebruik, bedoel ik daarmee de verzameling van alle (al dan niet gevormde) regeringen, gewesten, gemeenschappen en al hun aangestelde ministers, vazallen en staatssecretarissen die samen verantwoordelijk zijn voor het functioneren van deze zakdoek die zich een natie noemt. Het maakt mij persoonlijk ook echt geen hol uit of we nu blijven gaan voor een federaal België of gewoon beste buren blijven als bevriende gemeenschappen, maar het wordt onderhand wel tijd dat we knopen doorhakken. ‘Belgische oplossingen’ hebben hun tijd gehad, ze zijn niet opgewassen tegen deze omstandigheden. Met compromissen, halve maatregelen, vingerwijzen, eindeloos delegeren en getalm hou je geen virus onder controle. Integendeel, de veel te uitgebreide, logge, archaïsche en struisvogelpolitiek bevorderende structuren op zowat alle niveaus werken contraproductief in situaties als deze. Eén centrale structuur is wat we nu nodig hebben. Een groep van mensen die ons door deze crisis loodst. Liefst omringd door nuchtere wetenschappers en medische specialisten. Hun moedertaal kan mij op dit moment weinig schelen, hun politieke achtergrond nog veel minder. Ze hoeven niet met duizend te zijn, zelfs niet met negenhonderdnegenennegentig.

Kbelgie

‘Het bal marginal van Aalst’, een antwoord.

Het wereldkampioenschap open deuren inschoppen voor columnisten werd dit jaar met verve gewonnen door Ann De Craemer die vandaag in De Morgen mocht bewijzen dat ze niet van gisteren is. Hoewel.

Het was sterker dan mezelf, ik had het niet mogen doen, ik geef het toe. Terwijl ik in de leeshoek van de bib wat kranten doornam, viel mijn oog op het gele rechthoekje waarin Ann De Craemer elke dinsdag en donderdag mag schrijven over – ik citeer – de kleine en grote dingen des levens die haar beroeren. Vandaag bleek die beroering, met een dag of twee vertraging, Aalst Carnaval te zijn.

Lees het niet, fluisterde een stemmetje in mijn oor. Tevergeefs.

Als een soldaat-tamboer die twee weken na de veldslag dapper het veld opmarcheert trakteerde mevr. De Craemer ons op een pleidooi tegen slecht onderbouwde platitudes. Helaas bediende zij zich daarvoor enkel van … tromgeroffel … slecht onderbouwde platitudes. Als je een stukje schrijft dat achter de feiten aanholt en in wezen enkel bestaat uit wat gerecycleerde argumenten die ofwel reeds ontkracht zijn, ofwel reeds tot in den treure aangehaald zijn in een van de honderden voorgaande opiniestukken, laat het dan tenminste onderhoudend zijn. Of grappig. Of cynisch. Of vernieuwend. Of iets. Iets verdomme! Iets dat toch minstens een fractie van een halve gram bijdraagt aan dit gemediatiseerde, gepolitiseerde en haast uitgeholde debat. Verder dan, en ik citeer graag opnieuw; “Laten we eens stereotypes maken van de Aalstenaars: marginalen die gek zijn op zuipen; brabbelen in een onverstaanbaar dialect dat ze in alle omstandigheden menen te mogen spreken; losers die maar met één ding bezig zijn, het hele jaar lang: hun onnozele carnaval.”, komt Ann helaas niet. Wel, mevrouw De Craemer, ik kan u geruststellen: de respons op de voorgestelde stereotypes waarvan u vermoedt dat ze de Aalstenaars op de kast zullen jagen, zal hoogstens een stedelijk collectief ophalen der schouders teweegbrengen.

Laat ons alles in vraag blijven stellen, laat carnaval gerust mee evolueren met de nieuwe tijdsgeest, laat ons de grenzen van de humor en het vrije woord zorgvuldig blijven bewaken. Maar laat die grenzen niet bepalen door hen die het luidst ‘Ik voel mij beledigd!’ schreeuwen. Of zij die daar in een slap schrijfseltje wat garen uit spinnen. Want dan komen we onvermijdelijk terecht in een wereld waarin niets meer mag of kan. Of heel misschien enkel nog de geschreven beroering van een columniste die in haar op los zand gebouwde ivoren toren op dinsdag en donderdag het belerende vingertje in een waterachtige inktpot dopt.

IMG_9916

Wat in Tilburg kan, moet in Aalst ook kunnen …

Voor ik werkelijk aan dit stuk begin, had ik graag nog even een paar zaken aangehaald. Gewoon, omdat ze preventief de deur toeslaan voor argumenten die er volgens mij niet toe doen:

  • Inderdaad, ongelukken zijn nooit volledig uit te sluiten. Bestuurders hebben echter wel de morele plicht onze infrastructuur zodanig te laten evolueren dat ze die kansen zo klein mogelijk maken. Ook als dat betekent dat er ingrijpende keuzes op (middel)langere termijn gemaakt moeten worden.
  • Ja, zwakke weggebruikers moeten zich ook aan de wegcode houden en ervoor zorgen dat ze in de donkere maanden zichtbaar zijn. Ik leg graag de nadruk op ‘ook’.
  • Absoluut, er zijn mensen die zich onverantwoord gedragen in het verkeer. Deze mensen kunnen en zullen uw pad kruisen. Ze zijn verenigbaar onder de noemer ‘onverantwoorde weggebruikers’ en verplaatsen zich te voet, per fiets, met de auto, met trucks, treinen, al dan niet elektrisch aangedreven steps of zelfs lijnbussen. U kan hen makkelijk herkennen aan hun roekeloze gedrag en vertonen vaak ook asociale trekken in de dagelijkse omgang. Veralgemeningen naar een volledige groep, enkel en alleen op basis van het vervoersmiddel van een onverantwoord individu, zijn echter totaal irrelevant en kapen het debat dat gevoerd moet worden.

Nu we dit achter de rug hebben, wil ik het graag even over een fabriek in een stad hebben. Een fabriek in Aalst, een fabriek die, mede door zijn ligging, aan de grondslag ligt van het dodelijke ongeval van een 11-jarige jongen, een fabriek die mee de schokken voelt die door een hele gemeenschap zinderen. Het leven van de familie, vrienden en klasgenoten van de kleine Celio blijft voor altijd getekend door tragiek die misschien wel vermeden had kunnen worden. Hetzelfde geldt trouwens voor de chauffeur die samen met het noodlot aan het stuur zat van de fatale vrachtwagen. Als individu kan ik enkel, met het grootste respect, hopen dat hun drama de aanzet kan zijn voor veranderingen die anderen behoedt voor soortgelijke incidenten.

Glucoseverwerkend bedrijf Tereos Syral, ‘den Amylum’ in de volksmond, is voor sommigen onlosmakelijk verbonden met Aalst. Toegegeven, de fabriek heeft een onweerlegbare economische functie en zorgt voor een aanzienlijk aantal arbeidsplaatsen. Sommigen vinden het daarom verdedigbaar dat een industriële mastodont die massaal veel zwaar vrachtvervoer genereert, zich blijft ontwikkelen in een stadskern met verschillende grote scholen binnen wandelafstand. We spreken over een afstand van 270 meter in vogelvlucht van de Grote Markt. Maar is het niet al te makkelijk om er van uit te gaan dat alles voor eeuwig is? Kan het werkelijk niet anders? Anders, maar vooral … beter?

Het toeval wil dat ik gisteren, samen met een heleboel collega’s, een educatieve rondleiding kreeg doorheen LocHal. Misschien zegt de naam u niets, maar het is de moeite waard om het even te googelen. LocHal is een architecturale parel in een oude industriële site in het hart van Tilburg. De bibliotheek maakt er deel van uit, maar dat is slecht een klein aspect van een groter geheel. Het is eigenlijk een plek waar alles en iedereen samenkomt: leren en studeren, ondernemen en onderzoeken, ontmoeten en vergaderen, creëren en innoveren, exposeren en presenteren. Het concept bleek een sociale én commerciële katalysator en werd eerder dit jaar bedacht met de ‘World Building of the Year’-award. Binnen en buiten het gebouw werden de sporen van het industriële verleden bewust nadrukkelijk geïntegreerd. En dat mag u behoorlijk letterlijk nemen: de voormalige werkplaats van de Nederlandse Spoorwegen, waar voorheen locomotieven werden onderhouden, pronkt visueel met zijn geschiedenis en dat zorgt voor een fantastische synergie met de hedendaagse functies en architectuur. Een deel van de site is trouwens nog steeds in ontwikkeling en zal vooral woonfuncties opleveren. Maar er is ook een oude smeerloods waar nu een prachtig restaurant zijn intrek heeft genomen. Ik zie niet in waarom dat ook in Aalst niet zou kunnen. Openbaar nut en commerciële investeringen hoeven, als je maar creatief genoeg bent, geen tegenstrijdigheden te zijn, integendeel zelfs. Onze LocHal-gids drukte ons trouwens op het hart dat de site mee de motor is van de heropleving van de hele stad, zowel op toeristisch als op sociaal én cultureel gebied. Wat dan weer een zeer positieve impact heeft op de tewerkstelling.

Ik had natuurlijk ook C-Mine in Genk kunnen aanhalen als voorbeeld van een mooie overgang van oude industrie naar een hedendaagse invulling, maar dat heb ik bewust niet gedaan. Hét grote raakpunt tussen Tilburg en Aalst is immers de verankering in het absolute centrum van de stad. Vanuit de bovenste verdieping van LocHal kijk je recht op het perron van het station, op minder dan vijf minuten sta je te voet in het winkelcentrum. Als het in Tilburg kan, waarom zou het dan in Aalst niet lukken? Het zou de stad in één klap én aantrekkelijker én stukken veiliger maken. Iedereen die begaan is met de toekomst en de ontwikkeling van Aalst kan ik alleen maar aanraden om een kijkje te gaan nemen in Tilburg. Je staat er op geen tijd en het is in mijn ogen hét voorbeeld van hoe het ook in Aalst zou kunnen gaan. Voor het slachtoffertje van gisteren kunnen we de klok helaas niet meer terugdraaien. In het belang van de honderden kinderen die zich dagelijks in het verkeer begeven, is het echter heel dringend nodig dat we onze blik op de toekomst richten.

Dimitri Verbelen

LocHal

Jeff & the ladies

Jeff Hoeyberghs

Zuigt billen leeg, vult borsten en lippen op en is bekend van wetenschappelijk onderbouwde uitspraken als:

– “Vrouwen willen de privileges van de mannelijke bescherming en hun geld, maar ze willen hun benen niet meer opendoen.”

– “Je kan een vrouw niet als gelijke behandelen zonder haar slaaf te worden.”

– “Mannen die hulp zoeken bij een wijf, weet je hoe wij dat noemen? Jeanetten!”

– “… vandaar dat wetenschappers bijna altijd mannen zijn.”

Jane Goodall

De Britse antropologe en biologe Jane Goodall werd wereldberoemd vanwege haar onderzoek naar chimpansees. Dankzij de observaties van Goodall is onze kennis van mensapen enorm toegenomen. Zij bracht in kaart hoe chimpansees eenvoudige werktuigen gebruiken, samen op jacht gaan en zelf oorlog voeren met andere stammen of apensoorten.

Dorothy Hodgkin

Hodgkin werd een pionier op het gebied van röntgenkristallografie, een methode waarmee de driedimensionale structuur van moleculen wordt bepaald. Hierdoor kan de werking van bepaalde stoffen als penicilline beter worden begrepen. In 1964 ontving ze voor haar onderzoek op dit gebied de Nobelprijs voor de Scheikunde.

Barbara McClintock

De Amerikaanse botanicus Barbara McClintock wordt tegenwoordig gezien als een van de belangrijkste genetische wetenschappers aller tijden. Toch kwam deze erkenning pas laat. McClintock studeerde plantkunde en was bovengemiddeld geïnteresseerd in maïs. Ze bestudeerde hoe de chromosomen van deze plant veranderden tijdens de reproductie. Hiervoor ontwikkelde ze een speciale visualisatietechniek. Haar studies naar translocatie, een vorm van mutatie van erfelijk materiaal, zouden van groot belang zijn in het onderzoek naar kanker en erfelijke ziektes.

Maria Goeppert-Mayer

Ze wilde eerst wiskundige worden maar stapte tijdens haar studie over op natuurkunde. Maria Goeppert verhuisde na haar huwelijk met de fysisch-chemicus Joseph Edward-Mayer naar de Verenigde Staten. Ondanks haar talenten koste het haar moeite om een vaste aanstelling te krijgen. Uiteindelijk kreeg Goeppert-Mayer internationale erkenning voor haar onderzoek met Hans Jensen naar de schilstructuur van de atoomkern. Hiervoor kregen zij in 1963 de Nobelprijs voor de Natuurkunde.

Rosalind Franklin

Haar röntgendiffractiefoto’s van DNA zouden een belangrijke stap vormen in het definitief vaststellen van de DNA-structuur. Franklin overleed op jonge leeftijd aan kanker en kon niet met een Nobelprijs worden geëerd die in 1962 werd uitgereikt aan Watson, Crick en Wilkins voor de ontdekking van de DNA-structuur. Franklins collega Aaron Klug zou verdergaan met haar werk en in 1982 de Nobelprijs voor Scheikunde krijgen.

Gertrude Elion

De Amerikaanse Gertrude Elion studeerde scheikunde maar had moeite om in dit mannenbolwerk werk te vinden. In 1944 vond Elion een baan bij Burroughs Wellcome Research Laboratories waar ze tot haar pensioen zou blijven werken. Zij werkte hier als assistente van de beroemde farmacoloog George Hitchings en zou een aantal belangrijke chemische ontdekkingen doen. Hierdoor kon zij samen met Hitchings geneesmiddelen ontwikkelen tegen jicht, artritis, malaria en de afstoting van getransplanteerde organen. In 1988 kregen Elion en Hitchings de Nobelprijs voor Fysiologie of Medicijnen toegekend.

Irène Joliot-Curie

Net als haar moeder was ze gefascineerd door radioactiviteit. Ze werkte met haar moeder aan het front tijdens de Eerste Wereldoorlog en zou daarna haar assistente worden. Ze trouwde met de scheikundige Frédéric Joliot waarmee ze onderzoek deed naar de productie van kunstmatige radioactieve elementen. In 1935 kreeg Joliot-Curie de Nobelprijs voor de Scheikunde. Het continu werken met radioactieve elementen was niet zonder gevaar en net als haar moeder zou Joliot-Curie overlijden aan leukemie.

Lise Meitner

Lise Meitner (geboren 1878) leefde in een tijd dat menig universiteit nog niet toegankelijk was voor vrouwen. Na de middelbare school kon zij alleen nog op een privéschool een opleiding volgen. Op 23-jarige leeftijd lukte het haar eindelijk om toegelaten te worden tot de Universiteit van Wenen. Lange tijd leek Meitner te kiezen voor een praktische keuze als Frans of filosofie maar uiteindelijk werd het natuurkunde waarin ze ook promoveerde. Als pionier zou Meitner steeds weer obstakels tegenkomen, zo kwam ze als vrouw nauwelijks aan werk in haar vakgebied. In Berlijn zou ze samenwerken met Otto Hahn en onderzoek doen naar radioactiviteit. Hahn kreeg in 1944 de Nobelprijs en minimaliseerde in eerste instantie het werk van Meitner, hoewel hij haar in het geheim een deel van het prijzengeld gaf. Meitner werd tijdens haar leven vele malen genomineerd voor de Nobelprijs maar zou hem nooit winnen. Hierdoor werd ze een symbool voor de achtergestelde positie van vrouwelijke wetenschappers.

Ada Lovelace

Augusta Ada Lovelace was de dochter van de Engelse dichter Byron. Ze werd tijdens haar jeugd opgevoed door haar moeder die Ada stimuleerde om onderzoeker te worden. Lovelace had een uitzonderlijk wiskundig inzicht en kwam in contact met Charles Babbage, de ontwerper van de analytische machine, de voorloper van de moderne computer. In tegenstelling tot Babbage die de machine louter als een rekenmachine beschouwde, zag Lovelace in dat het veel meer mogelijkheden kon hebben. Haar ideeën hierover worden beschouwd als de eerste poging om een computerprogramma te schrijven. Helaas stierf Lovelace op 36-jarige leeftijd voordat ze al haar ideeën kon uitwerken. Sinds 2009 worden op Ada Lovelace Dag de prestaties van vrouwelijke wetenschappers gevierd.

Marie Curie

Op school blonk ze uit maar in het door Rusland bezette deel van Polen kregen vrouwen geen toegang tot de universiteit. In 1891 vertrok ze naar Parijs waar ze aan de Sorbonne wiskunde, scheikunde en natuurkunde studeerde. Ze zou voor vervolgwerkzaamheden in contact komen met de natuurkundige Pierre Curie met wie ze in 1895 trouwde. Als Marie Curie zou ze zich steeds meer toeleggen op de studie van de net ontdekte uraniumstralen. Zij gaf het fenomeen de naam radioactiviteit. De Curies zouden in 1903 samen de Nobelprijs voor Natuurkunde krijgen. Nadat haar man in 1906 verongelukte kreeg zij zijn leerstoel aan de Sorbonne. Hiermee werd zij de eerste vrouwelijke hoogleraar aan dit gerenommeerde instituut. In 1911 kreeg Curie een tweede Nobelprijs, ditmaal van de Scheikunde voor haar ontdekking van de elementen radium en polonium. In 1909 kreeg zij de leiding van het nieuwe Institut du Radium (tegenwoordig Institut Curie) in Parijs waar zij onderzoek deed terwijl in een tweede gedeelte de biologische en medische effecten van radioactiviteit werden bestudeerd. Haar dochter Irène nam in 1930 de leiding van het instituut over, al zou ze tot haar dood directeur blijven. In 1934 overleed Marie Curie aan leukemie nadat ze tijdens haar loopbaan regelmatig bloot had gestaan aan straling. Het scheikundige element Curium (Cm) is naar haar vernoemd.

 

bullshit

 

Niet om te lachen.

Toen de Franse minister van Europese Zaken, Nathalie Loiseau, een paar dagen terug op Facebook verklaarde dat ze haar kat Brexit had genoemd omdat de haarbal besluiteloos gedrag vertoont, waren bepaalde Britse tabloids er als de kippen bij om haar neer te bliksemen. Het deed mij spontaan denken aan de iconische film ‘Monty Python and the Holy Grail’. Meer bepaald aan de scene waarin The French Taunter (vrij vertaald: de Franse treiteraar) koning Arthur en zijn Engelse ridders uitlacht vanop de toren van zijn kasteel.

Het voorval deed mij nadenken over hoe bepaalde vormen van humor steeds vaker onder druk komen te staan. Dat is enerzijds te wijten aan een steeds groter wordende gevoeligheid van individuen en gemeenschappen, maar anderzijds ook aan de grenzeloosheid van sociale media die humor ongenuanceerd voor een breed publiek gooit dat vaak geen enkele notie heeft van de traditie of context waaruit het ontsproten is. Dat bleek onlangs nog toen de Joodse internationale gemeenschap met piepschuim op de lippen van leer trok tegen wat zij een antisemitische carnavalswagen noemen. Ook komiek Bart Cannaerts kan ervan meespreken. Toen hij in 2012, met de beste bedoelingen, een humoristische bewustmakingsvideo voor 11.11.11 opnam waarin hij een Senegalese acteur (die mee in het scenario zat) beledigde, kon hij de volgende dag zijn woonkamer behangen met doodsbedreigingen. Drie jaar geleden trok ook de Britse komiek Sasha Baron Cohen al een definitieve streep door zijn typetjes Borat en Bruno. De reden? Hij vreest voor het leven van zijn familie. En sinds de rel met de Duitse komiek Jan Böhmermann weten we ondertussen ook dat smakeloos lachen met president Erdogan zo’n impact kan hebben dat zelfs Merkel er zenuwachtig van wordt. En dan zwijg ik nog over een aantal cartoonisten in Parijs die, weet u nog wel, de ultieme prijs betaalden voor hun recht op satire.

Als liefhebber van (vaak Britse) humor, liep ik daarnet in gedachten even door een paar van mijn favorieten. Bottom, Blackadder, The Young Ones, The IT-crowd, Absolutely Fabulous. Ik hou ze in het licht van de tijd en vrees dat mochten veel grappen (die ik als legendarisch beschouw) vandaag opgenomen worden, ze in geen tijd tot grote controverse zouden leiden. Zou Manuel ‘I know nothing’, de ietwat domme ober, vandaag nog mishandeld mogen worden door Basil Fawlty? Misschien nog net. Hoewel het waarschijnlijk ook al op bezwaren uit Barcelona zou stuiten. We moeten gewoon opnieuw leren aanvaarden dat humor scherp kan zijn. Af en toe misschien een beetje smakeloos. Bijwijlen zelfs een tikje ranzig. Want als we dat niet kunnen, als humor werkelijk geen grenzen meer mag aftasten, dan rest ons slechts één alternatief: blanco cartoons en de terugkeer van Geert Hoste. Eens kijken wie er dan nog lacht.

Dimitri Verbelen

Verscheen op 29 maart 2019 als column in De Standaard (dSAvond)

Schermafbeelding 2019-04-03 om 20.00.21.png

Ex-roker.

De gebreken. Ik begin graag bij de gebreken. Dan hebben we dat alvast achter de rug. Roken, drinken, beetje angststoornis, een milde vorm van smetvrees, de occasionele paniekaanval, een halve burn-out of bore-out of hoe dat beestje ook mag heten. Ik heb het allemaal achter de rug.

De meeste van mijn demonen zijn ondertussen getemd. Of op zijn minst aan een winterslaap bezig. Dood verklaar ik ze echter nooit, dat durf ik niet. Alleen dat drinken durft om de zoveel maanden nog wel eens voor een uitschuiver te zorgen. Ik vond altijd al dat het met mijn alcoholconsumptie wel meeviel. In het licht van de laatste nieuwe wetenschappelijke bevindingen mag ik ook die illusie horizontaal klasseren. Geloof mij als ik zeg dat het helemaal mijn bedoeling niet is om dat allemaal te bagatelliseren.

Maar het helpt ook niet om alles wat een mens eventjes uit de sleur van het dagelijks leven haalt, terug in zijn gezicht te duwen met de vrolijke vermelding dat hij zijn leven op het spel zet. Van leven ga je dood, dat is redelijk onvermijdelijk. Alcohol en roken zijn slecht voor zowat ieder aspect van je gezondheid. Net zoals yoga combineren met cocaïne. Dat weet iedere kleuter tegenwoordig nog voor hij helemaal zindelijk is. Toch weiger ik pertinent om zo’n drammerige ex-roker te worden die persé de hele wereld met een schuldgevoel wil opzadelen.

Ik begrijp de logica achter het nieuwe, striktere rookbeleid in pretparken en op bepaalde stranden. Niet in het minst omdat een gebrek aan gezond verstand en universele goede manieren bij een bepaalde groep rokers ten dele mee aan de oorzaak liggen van een wetgeving die steeds repressiever lijkt te worden. Een zomerstrand is geen kingsize asbak, dat durven sommigen al eens te vergeten. Het verbod om in het gezelschap van kinderen in de wagen te roken, beschouw ik dan ook als niets minder dan een kinderverzekering tegen de stupiditeit van bepaalde volwassenen. Maar nu er steeds meer stemmen opgaan om roken ook tijdens openluchtfestivals te verbieden, begint er bij mij toch iets te kriebelen. Wat met het recht om heel bewust iets ongezonds te doen en daar oprecht en schaamteloos van te genieten?

Mijn onbehagen draait om zoveel meer dan enkel over het steeds kleiner maken van de publieke ruimte waarin roken nog toegelaten is. Dat is slechts een symptoom. Eén van de vele trouwens in een maatschappij die onze fysieke gezondheid steeds krampachtiger wil beschermen onder een stolp van regels en verboden. Ik word steeds meer bevangen door het gevoel dat die tendens niet echt ten goede komt van onze mentale gemoedstoestand. Gelukkig voor mij valt deze bedenking net in de maand waarin het nieuwe gereglementeerde plan van Maggie De Block om psychologische bijstand betaalbaarder te maken net van start is gegaan. Al lijkt ook dat, los van alle goede bedoelingen, weer deels zijn doel voorbij te schieten.

Dimitri Verbelen

verscheen op 28 maart als column in De Standaard.

Schermafbeelding 2019-03-31 om 14.40.32

Fiets!

Toen Koen Wauters in de hoogdagen van Clouseau kweelde dat zij alles had en hij niets, kon hij onmogelijk vermoeden dat al zijn zorg en kommer slechts tijdsgebonden was. Dertig jaar na ‘Fiets’ (‘Hoezo?’, 1989) trap je een speed pedelec vlotjes voorbij een bromfiets klasse A.

Voor zover ik mij kan herinneren haalden tot op heden twee dodelijke ongevallen met dergelijke snelle fietsen de krant. De eerste keer was eind 2017, toen een Leuvense spoedarts overleed na een botsing met een voetganger. Afgelopen weekend kwam in het Antwerpse district Deurne opnieuw een 23-jarige jongeman om het leven bij een val met een soortgelijke tweewieler. In het eerste geval volstond de fietshelm niet om een fatale afloop af te wenden, in Deurne droeg het slachtoffer geen helm. Zelfs de beste bescherming biedt geen garanties, daar moeten we als maatschappij helaas mee leren leven. Begrijp mij niet verkeerd: ik ben een ambassadeur van het dragen van de helm op de fiets, met die aanvulling dat ik zelf wil blijven beslissen waar en wanneer ik dat doe.

Nog niet zo heel lang geleden kwam ik tijdens het fietsen zelf onzacht in aanraking met het asfalt. Als schrijver uitgerekend op gedichtendag slippen op een rijmplek, het zou iets poëtisch kunnen hebben. Mijn helm heeft mij die dag voor erger behoed. Toch ben ik geen onvoorwaardelijke voorstander van een helmplicht voor stadsfietsen en elektrische modellen die maximaal tot 25 km/u ondersteuning bieden. Daarvoor waardeer ik de vrijheid om op een zonnige dag helmloos en sloom tussen de velden te kunnen fietsen net iets te hard. Ik zou die rationele afweging dan ook heel graag tot mijn vrijheden blijven rekenen.

Wanneer ik daags na het ongeval in Deurne de eerste reacties lees, vrees ik voor een nieuwe golf van door geldingsdrang gedragen voorstellen. Sommigen pleiten voor een algemene helmplicht. Voor alle duidelijkheid: op de speed pedelec is het dragen van een helm, net zoals het bezit van een rijbewijs, al wettelijk vastgelegd. Een verplichting waar ik trouwens volledig achter sta.

Tijdens mijn woon-werkverkeer (gewone elektrische fiets) draag ik steeds overtuigd mijn helm. Zowel de aard van mijn traject als het drukkere verkeer tijdens deze functionele en snellere verplaatsing faciliteren die beslissing. Een zorgwekkende factor die ik echter niet in de hand heb, is het uitblijven van degelijke infrastructuur voor zowat elk type weggebruiker. Dat is en blijft een structurele smet op een zichzelf als vooruitstrevend bestempelende maatschappij. Ik besef dat ik niet de eerste en al zeker niet de laatste ben om op die nagel te kloppen. Maar wanneer ik deze week lees dat het aantal (elektrische) fietsen op onze wegen explosief blijft stijgen, vrees ik dat er nog veel harder op geramd moet worden. Liefst zo hard dat het het geluid van de zoveelste regeltjesdiscussie ruim overstijgt.

Dimitri Verbelen

Verscheen op dinsdag 26 maart als column in dSAvond, de avondeditie van De Standaard.

fietske

 

De Boekenuil van Minerva

Terwijl de jaarlijkse Vlaamse Boekenbeurs vaak het etiket opgeplakt krijgt een volkse bv-show zonder ook maar de minste literaire aspiraties te zijn, wordt het Nederlandse Boekenbal vaak net het tegenovergestelde verweten. De traditionele opening van de Boekenweek zou, volgens een niet gering aantal noorderburen, een hautaine hoogmis van zelfverklaarde progressieve intellectuelen zijn. Ik kan en wil daar niet over oordelen, maar na wat er zich dit weekend heeft afgespeeld, vrees ik vooral dat dat vooroordeel enkel meer draagvlak heeft gekregen.

Nederland, dat er net zoals zo veel andere naties niet in slaagde met – ik stel maar iets geks voor – een doortastend of geloofwaardig politiek beleid de zoveelste verkiezingsoverwinning van de zoveelste populist te vermijden, bevond zich nog volop in de discussiefase (die daar al vaker apocalyptische vormen durft aan te nemen) toen Eveline Aendekerk op het Boekenbal aan haar openingsrede begon. Als voorzitter van de organiserende stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek had Aendekerk net een stilte in haar betoog laten vallen voor een moment van respect ter nagedachtenis aan de slachtoffers van de aanslag in Utrecht. Cabaretier Freek De Jonge dook gretig in die opening om, schreeuwend vanuit het publiek, een collectief statement te eisen tegen de overwinningsspeech van Thierry Baudet. Aanvankelijk leek Aendekerk niet uit haar lood te slaan, waarop De Jonge met schuim op de lippen verder brieste: “Loop er dan niet zo raar overheen. Het is gewoon zo. Doe niet zo dom!” Tien stoelen verderop begon een of andere Neerlands Hoop-groupie als een dronken kraai mee te krijsen ‘Ik ben met Freek! Ik ben met Freek!’ Hier en daar klonk wat lauw geklap, verder vooral consternatie en plaatsvervangende schaamte.

De enige die ook maar iets gebaat lijkt bij Freeks geïmproviseerde opstoot van Gilles de la Tourette is uiteraard Thierry Baudet zelf. Dergelijke reclame is namelijk onbetaalbaar voor iedere zichzelf respecterende demagoog. Uitgerekend op een besloten, sterk gemediatiseerd evenement als het Boekenbal aangevallen worden door een symbool van de ‘culturele elite’, een clubje dat Baudet verwijt de bakens der politieke correctheid uit te zetten die volgens hem mee aan de basis liggen van de ondergang van de Westerse cultuur, zal zijn achterban enkel sterken nog verder mee te gaan in zijn groteske versies van de waarheid. Terwijl Freek De Jonge op de receptie achteraf, genietend van een broodje kroket van truffel en kaviaar, door gelijkgestemden op de rug geklopt wordt voor zoveel durf en branie, gluurt Baudet in ontbloot bovenlijf door het raampje van zijn gebakkenluchtoven om glimlachend vast te stellen dat zijn van oikofobe ingewanden ontdane Uil van Minerva smakelijk aan het spit ronddraait.

Dimitri Verbelen

Verscheen op maandag 25 maart als gastbijdrage in dSAvond, de avondeditie van De Standaard.

IMG_5582