Beste soldaat,

Beste soldaat,

Als dagelijks pendelaar vanuit Brussel Centraal had ik je graag even bedankt. Bij deze dus: bedankt dat je die terrorist neerschoot. Dat meen ik. Oprecht. Gelukkig bleek zijn handvaardigheid even slecht ontwikkeld als zijn persoonlijkheid en bleef een zwaardere ontploffing uit. Zeggen dat ik zijn lot betreur zou een leugen zijn. Ik ben slechts theoretisch pacifistisch. De wereld is niet lief. Niet altijd. Niet voor iedereen. Mensen die menen dat onschuldige mensen voor een of ander religieus, ideologisch of politiek doel moeten sterven, verdienen de kogel die hen toekomt. Dat wil zeggen: ik gun het hen voor ze anderen in hun waanzin meesleuren. Ik ben dankbaar dat jij deed wat ik misschien wel niet zou durven. Liever zag ik natuurlijk een buitenlands beleid dat de haat niet voedt. En een duidelijk, nuchter en langs beide zijden ongepolariseerd debat over de potentieel duistere invloed van georganiseerde religie op het individu. Met beide zijden begrijp je ongetwijfeld wel wat ik bedoel. Misschien ben je het, net als ik, ook beu om te horen wiens fout het allemaal is. Of was. Of zal zijn. Wat ben je met eindeloos geruzie tussen links en rechts als er schrapnel in het midden van je darmen zit?

We discussiëren over jouw nut. Over jouw takenpakket. Zelf durf ik ook te denken dat jij iets anders in gedachten had toen je voor een militaire carrière koos. Dat je noodzakelijke trainingen en uitdagingen mist door hier maandenlang politiewerk uit te voeren. Uiteindelijk maakt het voor mij, als burger, weinig uit of het gevaar uitgeschakeld wordt door jou of door een politieagent. Maar we moeten nu eenmaal allebei begrijpen dat er te weinig geld is. Veel te weinig geld. Zowel voor een uitgebreide en beter getrainde politiemacht als voor een gemoderniseerde defensie die misschien wel de F35 boven de Dassault Rafale durft te kiezen. Het is trouwens overal wat; ook voor gezondheidszorg, onderwijs en sociale en culturele projecten zit er te weinig geld in de schuif. Tenminste, dat wordt mij verteld door een onoverzichtelijke horde van gemeentelijke, regionale, federale en Europese mandatarissen en politici die in ons belang ook nog wat bijklussen na hun uren. Daar is er gelukkig wèl nog enig budget op overschot. Stel je de bestuurlijke en organisatorische chaos in onze levens voor wanneer we het zonder al die politieke mandatarissen zouden moeten stellen. ‘De rotte appels moeten er uit’ zei een appelboom daar onlangs nog over. Zonder zich ook maar één seconde af te vragen of er misschien niet iets aan het systeem zelf schort. Vindt u het ook zo cynisch om steeds na een aanslag uit de monden van mensen die ik de dingen heel graag anders zou zien aanpakken te moeten horen ‘dat we zeker niet anders mogen gaan leven’?

Jij en ik, we zitten in hetzelfde schuitje. We willen onze kinderen in de beste omstandigheden zien opgroeien in een wereld waarin die omstandigheden steeds meer onder druk komen te staan. Het geloof dat het op korte termijn beter wordt, ben ik helaas al een tijdje kwijt. Maar dat maakt mijn dankbaarheid voor uw handelen er niet minder op.

soldaat

Weg met de Katoenen Kelder!

Nu de zon genadeloos zweetdruppels langsheen onze verzamelde bilnaden jaagt, ervaar ik het als mijn morele plicht om de barricaden te beklimmen. Laat mij mijn zaak uit de doeken doen. Liefst letterlijk. Ik begin graag met een korte omkadering. Ondergetekende maakt deel uit van een niet te verwaarlozen bevolkingsgroep die ik graag omschrijf als zijnde ‘het kantoorgepeupel’. Sinds jaar en dag worden mijn soortgenoten en ik gedwongen een niet te onderschatten vorm van discriminatie op basis van geslacht te ondergaan. Daar waar mijn vrouwelijke collegae het voorrecht genieten om zowel onder zomerse als winterse omstandigheden de kuiten te ontbloten, blijft het voor mij en mijn seksegenoten verboden om zelfs in de meest tropische omstandigheden in beschaafde, doch korte broekvorm op de werkvloer te verschijnen. Nu ik, als dagelijks gebruiker van het openbaar vervoer en met gepijnigde en in zweet gemarineerde testikels tot gevolg, mijn knieën niet meer dan vijf centimeter uit elkaar mag bewegen zonder beschuldigd te worden aan manspreading te doen, voel ik meer dan ooit de drang dit onrecht uit de wereld te helpen. In navolging van mijn vriendinnen die – met recht en rede! – ijveren om het glazen plafond aan diggelen te slaan, wil ook ik mijn (onze!) strijd symbolisch benoemen. Daarom, kameraden-kantoorratten overal ter wereld: eis uw rechten op! Aanvaard geen verschillen op basis van geslacht! Smeer de kuiten in! Mobiliseer UNIA en uw vakbondsverantwoordelijke! Verspreid het woord en wees sterk in daden!

Deel deze boodschap en vervoeg ons in onze strijd TEGEN DE KATOENEN KELDER!

Viva la Revolución!

broek

 

Open brief aan de volle pamper van de dochter van Bart S.

Alleenstaande vaders die het aandurven met hun kind naar Plopsaland te gaan verdienen respect. Nu ja, in mijn ogen verdient iedereen die vrijwillig naar Plopsaland gaat respect. Ik ben het type mens dat gelooft dat het voorgeborchte van de hel er uitziet als de polyester speeltuin van Studio 100. Maar dat ligt uiteraard aan mij. In een ver verleden bezocht ik het pretpark. Kwestie van mijn zoontje van (toen) drie (het kan ook vier geweest zijn) een plezier te doen. Ik herinner mij een ellenlange file, veel gejengel, een hele dag k*tmuziek, lange wachttijden aan attracties die nog geen vijf minuten duurden en veel te veel geld voor veel te weinig frieten die door een ongemotiveerde jobstudent in een kartonnen bakje werden geschept. Dat neem ik Plopsa trouwens niet kwalijk, het was alles wat ik er van had verwacht.

Vandaag lees ik dat alleenstaande vader Bart S. een beetje boos is op Hans B. & Gert V.

Blijkbaar zijn er nog een paar sanitaire blokken waarbij men enkel via de damestoiletten in de ververskamer voor kinderen raakt. Op andere plaatsen in het park is dat euvel wel al aangepakt. Maar wat doe je wanneer je dochter uitgerekend dààr kampt met een volle kattenkoek zo Gertje? “Het is kakabroek, Samson!”  Bart S. riep de hulp in van een vrouwelijke vriendin om dit euvel te verhelpen. Vervolgens schreef hij een open brief om dit gendergerelateerde probleem aan te kaarten. Bij het lezen van dit door de populaire media gretig opgepikte bericht, dacht ik spontaan terug aan die keer dat ik mijn zoontje zelf eens ververste in – jawel! – een damestoilet. Ik heb het overleefd. En mijn zoontje ook. Qua trauma achteraf viel het ook best mee. Slachtofferhulp heeft weinig of geen werk aan mij gehad. Geen enkele vrouw heeft mij daar trouwens scheef voor bekeken, laat staan mij fysiek of verbaal aangevallen. Uiteraard besef ik dat ik misschien wel door het oog van de naald ben gekropen. Waarmee ik uiteraard geen link wil leggen tussen vrouwen en naaigerei.

Nu je het zegt, hier mag eigenlijk wel eens een genderneutraal gezegde voor ingevoerd worden!

samson

 

Radja!

Zowel de schrijver als de supporter in mij houdt van Radja. Opgelet, dit is geen pleidooi ter verdediging van dronken rijden. Ik laat dat incident gewoon liefst over aan de betrokken partijen; zijnde de politie, het gerecht en Nainggolan zelf. Waar het mij om draait is de gretigheid waarmee bepaalde stromingen binnen het hedendaagse voetbal ons willen opzadelen met de these dat voetballers, naast hyperprofessionele atleten ook  ideale schoonzonen moeten zijn. Vanuit commercieel en economisch oogpunt is dat allemaal perfect te begrijpen. Voetbal is geld. Véél geld. Zowel op als naast het veld. De belangen bij wedstrijden lopen in de miljoenen, de nevenactiviteiten van de moderne gladiatoren volgen in crescendo. De ploegen, de bonden, de investeerders en de sponsors; liefst van al willen ze gewoon posterboys die naast perfect voetbal ook perfecte levens leiden, die zich scheren met Gillette, hydrateren met Biotherm en – enkel gekleed in een boxershort van Beckham Bodywear – vijf maal per kwartier het uur checken op een horloge van TAG Heuer. Ze mogen reclame maken voor hamburgers (vader en zoon Daley en Danny Blind figureerden ooit samen in een spot van McDonald’s) maar er niet van eten, ze mogen het uithangbord zijn van biermerken (Jupiler-league, Carlsberg …) maar ze mogen er liefst van al geen druppel van drinken. En zo kan ik nog wel even doorgaan. Veel (jonge) spelers conformeren zich naar dat model; ze worden doorgaans beter gemodelleerd dan hun eigen kapsels en zijn gaandeweg gaan geloven dat een handtas van Louis Vuitton even belangrijk is voor hun ontplooiing als een paar gepersonaliseerde voetbalschoenen. Goed, die jongens zijn er en ik wens hen het allerbeste toe. Maar als freelancer voor het relatief nieuwe magazine puskás voetbalverhalen jaag ik gretig op – uhu – voetbalverhalen. En dan ben je dankbaar voor een man als Nainggolan. Oké, Radja rijdt ook niet met een tweedehands Volvo en zijn bankrekening wordt buitensporig gespijsd om op een bal te schoppen. Maar dat laatste is uiteindelijk wel een collectieve verantwoordelijkheid. Als we morgen simultaan onze televisietoestellen uitschakelen wanneer de Champions League begint, spat die bubbel direct uit elkaar. Maar dat staat niet echt te gebeuren, toch? Als je Radja aan het woord laat, hoor en zie je een mens die niet traditioneel door het leven wandelt maar die wel onderbouwd een verhaal te vertellen heeft. Hij is een sportman die niet steeds binnen de lijntjes kleurt, maar wel altijd inkt, zweet en tranen laat op een voetbalveld. Mede daarom houd ik van Radja Nainggolan. Omdat hij, niet ondanks maar mede door zijn imperfecties, een rolmodel is dat er geen mag zijn. Ik ben dan ook sterk overtuigd van het feit dat hij over een jaar of dertig best wel een verhaal of twee te vertellen heeft. Zoals die keer dat hij echt zwaar onder de indruk was omdat François De Keersmaecker hem in 2017 hoogstpersoonlijk op het matje riep.

U leest er alles over in de Puskás van april 2047. Dat is beloofd.

radja

Over George, Napoleon & Sneeuwbal

Het zijn verwarrende tijden. Leg het uw kind maar uit, dat de in Tielt gesneuvelde varkens serieus mismeesterd werden alvorens ze in een jasje van piepschuim en plastic in de winkelrekken terecht kwamen. En dat het met de koeien en de kalveren waarschijnlijk niet anders is. Zo’n opgroeiend mensenkind verklaart zich al snel en heel overtuigd vegetariër. Dat voornemen houdt meestal stand tot de beenhouwer “vleesje?” zegt en uw nageslacht een sneetje samengeperst slachtafval in de pollen duwt. Traditiegetrouw zonder het antwoord van de ouder af te wachten. Samsonworst waar geen gram samsonvlees in terug te vinden is. Heel misschien een versnipperde varkenspoot uit Tielt. Foodie Gertje heeft ons goed bij ons kloten met zijn ‘mijn pop-up portemonnee’. Vandaag spelen de volgroeide biggen alweer een hoofdrol in medialand. In Aalst, keizerlijke stede waar men van nature niet vies is van een varkensstreek meer of minder, hebben de uitbaters van een crèche beslist om varken volledig van het menu te schrappen. Dierenliefde hoeft een mens daar niet achter te zoeken. Peuters die van bij hun geboorte de vrijwillige keuze maakten Allah te volgen, eten geen koteletten. Wat voor een boel praktische problemen zorgt bij de voedering van een gemengd publiek. De verwekkers van christenkinderen en heidens gebroed voelen zich tekort gedaan. Hun geboorterecht op varkensvlees wordt geschonden. Hoe hebt u uw ribbetjes liefst: met een sausje van ongebonden racisme, overgoten met gesmolten oikofobieboter of op een bedje van politieke correctheid? De Tieltse varkens en hun soortgenoten weten het ook even niet meer. Respectvol en pijnloos gedood worden om vervolgens onreligieus en doorbakken op een bord te eindigen; blijkbaar is dat wat de grootste gemene deler van Vlaanderen wil voor zijn biggen. Nog een geluk dat de hindoes geen significante groep vormen in de lage landen. Over die ‘pellepatat’ wil ik nog toegevingen doen. De heilige Côte à l’os op de grill pakt aanbidder noch ongelovige mij af.

Twee weken na elkaar spelen varkens de hoofdrol in het publieke debat.

De meeste mensen zien daar geen patroon in.

Ikzelf ben een groot liefhebber van Orwell.

Ik weet wat er zit aan te komen.

varken

Werk van barmhartigheid

Ik ben het soort mens dat naar een hamburgerkraam stapt, naar de op een aan de randen zwartgeblakerde, scheef getrokken bakplaat vol worsten en hamburgers kijkt en zich afvraagt hoe lang dat spul al ligt te sputteren. Ik observeer de in bloemetjesschort gehesen vrouw aan het hoofd van deze mobiele keuken. Er is veel vrouw en veel te weinig bloemetjesschort om alles smakelijk te verhullen. Zweetpareltjes en donkere snorharen. Een gat waar ooit een tand zat. Hoeveel kermissen, hoeveel koersen, hoeveel carnavals? Hoeveel zatte en nuchtere hongerigen werden al door deze met net iets te lange nagelranden uitgeruste handen gespijsd? Barmhartiger wordt een werk zelden. De ajuin is een vormloze, kronkelende massa geworden, een orgie van bolgewas met een overdaad aan boter als glijmiddel. Er wordt bier in blik verkocht. En bier in blik. En bier in blik. De dorstigen laven. Al het tweede werk van barmhartigheid. Aflaat verdiend. De trekhaak aan en rijd haar los de eeuwige kermis die de hemel ongetwijfeld is naar binnen.

Met geoefende hand opent zij een pistolet en mikt er een hopelijk niet uit Braziliaans vlees samengestelde worst en een kwak ajuin tussen.

“Curryketchup of tomaat?”, zegt zij tegen niemand in het bijzonder.

Drie afgemeten rukken aan de hendel kleuren de ingewanden van het broodje rood.

“Drie euro asteblieft.”

En nu maar hopen dat er straks geen zieken te verzorgen zijn.

Of doden te begraven.

burger

Wasdraad

De wasdraad van mijn grootmoeder hing eerder slap tussen twee betonnen palen. Op mooie dagen hingen er kleurrijke kleedjes aan te drogen. Bloemenmotieven op een vormloze lap katoen tot onder de knie. Op hun plaats gehouden door houten wasspelden die ook als knutselmateriaal moesten dienen om een servettenhouder of een kruisbeeld mee te maken. ‘s Zondags hing er niets aan de groene draad. Op zondag moesten de duiven van grootvader vallen. Tenminste, als de begeleiders uit Quiévrain ons niet lieten wachten. Er werd niet gevoetbald in de tuin wanneer er ‘komkomkom’ uit de dakkapel weerklonk. Een beetje kind uit de jaren tachtig wist dat. Wij supporterden hevig voor de duiven. Hoe sneller ze vlogen, hoe sneller wij terug konden voetballen. De wasdraad werd toen deklat. Wat best een dankbare taak was in vergelijking met wat de draad rond mijn achtste te verduren kreeg.  Toen hing er plots een konijn aan de groene draad. Zonder jas en zonder hoofd. Gewoon, te hangen. In zijnen bloten. Voor dat konijn supporterden wij al veel minder.

serviet